<<< vorige volgende >>>

 

In de buurt van Oisterwijk
libellenstellen tellen

 

 

waterjuffer

Van de weeromstuit ben ik ook maar wat plaatjes gaan schieten.
Volgens mij is dit een stelletje rode waterjuffers in innige omstrengeling.

landschap

Een indruk van het landschap waar we ons in de tekst bevinden:
een deels nieuw, deels oud natuurgebied.

beekrombout

Volgens kenners is dit dus een beekrombout,
waarschijnlijk (volgens mij) een mannetje.


glassnijder

Een beetje groter foto, omdat ik hem zo mooi vind
twee glassnijders in 'paringswiel'.
Als ik het goed begrepen heb is het mannetje blauw, het vrouwtje geel.


 

 

 

 

 

4 mei 2011

Eigenlijk ging ik voor de vogels. Achter Oisterwijk in de buurt van Balsvoort ligt een gebied waar allerlei landschappen een ideale leefomgeving voor allerlei soorten.

Je komt er dus ook allerlei veldbiologen tegen, allemaal hobbyisten. Zo ook op deze prachtige, wat winderige voorjaarsdag.

Een tamelijk jonge man speurt elke struik af, blijkbaar op zoek naar iets specifieks. Zoals alle hobby-biologen is hij gemakkelijk tot een gesprekje te verleiden. Hij komt helemaal uit Zwolle - anderhalf uur autorijden, verzekert hij - om naar libellen te zoeken. Want hier leeft bijna de helft van de meer dan 70 soorten, die er in Nederland zijn. Vandaag is hij met zijn camera speciaalop jacht naar de beekrombout. Ik moet het hem twee keer laten zeggen want die naam ken ik niet. Hij instrueert me graag en wijst na enig speuren op grote libel. Dat is 'm dus. 'Een vrouwtje', ziet hij meteen.

Uit het struikgewas duikt een andere man op: ouder dan de eerste, klein en fors, khakihoed, rugzak en een ontzagwekkende fototoeter op zijn toch al forse buik. Ze horen niet bij elkaar maar hebben elkaar vanmorgen blijkbaar al getroffen. Hij is geïnteresseerd in alles wat vliegt: vogels, libellen en vlinders. De man uit Zwolle neemt de kans waar, om nog eens te vragen naar de plaats van het dikkopje, waar de oudere meneer blijkbaar al over gesproken heeft. Ik weet toevallig dat het nu over vlinders gaat. Als de Zwollenaar beleefd zegt dat hij er begrip voor zou kunnen hebben dat meneer die schuilplaats niet zo maar wil prijsgeven, heeft hij blijkbaar genoeg betaald: 'Kom maar mee', zegt Meneer de Toeter en ze gaan een stoffig zandpad in.

De telelens van de derde meneer die ik tegenkom, is werkelijk imposant. (Hij is pas drie maanden in de vut - afcheidscadeautje, denk ik.) Ook hij fotografeert libellen. Ettelijke keren nodigt hij me uit om door zijn zoeker naar zijn object te kijken. Het is me niet helemaal duidelijk of hij trots is op de fantastische prestaties van zijn toestel of op de beekrombout ('een ouder exemplaar, al een beetje groener in plaats van geel') die hij in 1/2000 sec. toevoegt aan zijn ongetwijfeld massale collectie.
'En daar zitten weidebeekjuffers.' Hij wijst in de richting van het beekje.
Een paar kilometers verder hoopt hij de bosbeekjuffers te betrappen. De vleugels van de eerste zijn voor de helft, van de tweede soort helemaal blauw. Dat leer ik allemaal in tien minuten tijd. Dan scheiden onze wegen. Hij 'moet' immers nog twee poelen. En hij heeft nog niet geluncht.

Meneer vier - ook vutter- heeft er spijt van dat hij geen bioloog geworden is. Hij is helemaal weg van vlinders en kan er boeiend over vertellen. Geen wonder dat hij lezingen geeft over dagvlinders, nachtvlinders en nachtvlinders die overdag vliegen. Terwijl hij me bijpraat over overwinterende dagpauwogen en kleine vossen en trekkende atalanta's, determineert hij voorbijfladderende zandoogjes met één oogopslag. Hij vertelt over de grote weerschijnvlinders die 'daar achter dat grasveld' leven; tot zijn verdriet vooral hoog in de bomen. Een beetje beschaamd - alsof hij over familie spreekt - bekent hij dat die grote vlinders van zoiets onsmakelijks als de sappen van gestorven dieren leven. Maar áls ze daarmee bezig zijn, bijvoorbeeld op een dood konijn, kun je ze waarnemen.

Ik gun het hem: in ideale omstandigheden een niet al te opvliegend exemplaar fotografisch te kunnen vastleggen.

 

 

 

 

 


kop