kop_index

Auto

Gewoonlijk houd ik me niet zo met auto's bezig. Ze zijn er om je - volgens een vreselijk cliché - van A naar B te brengen en weer terug, als het effe kan. De laatste weken is mijn belangstelling voor zo'n dure vierwieler tijdelijk wat gegroeid omdat we vinden dat we misschien eens naar iets nieuws moesten uitkijken. En ja, dan moeten we ons laten informeren door autoverkopers. Ik voel me als een vlinderverzamelaar op de Hedelse paardenmarkt.

Bij de dealers dringen allerlei merken, kleuren, types en ondertypes met mysterieuze afkortingen zich nog sterker op dan de vaak al te ijverige verkopers. Als die na hun lofprijzingen bedragen gaan noemen komen we al gauw tot het inzicht dat al dat moois voor ons onbetaalbaar is.

Dat besef herinnert me aan een voorval van een jaar of zes geleden, op een mooie zomerdag.

Rosie is nog een frutje van twee. Ze zit vóór bij me op de fiets, wat voor ons beiden een stuk gezelliger is dan in een zitje op de bagagedrager. Voor haar: ze kan bijna driehonderdzestig graden in het rond kijken. Voor mij: het praat een stuk gezelliger en pedagogischer; ik kan reageren en anticiperen, stimuleren en natuurlijk corrigeren.
We bespreken de vreedzame koeien, becommentariëren de veel te hoge maïs, bewonderen de grazende paarden, geven de zichtbare vogels een naam, zeggen de gepasseerde kindjes gedag. Auto's vallen buiten mijn domein en dus ook buiten dat van Rosie. We hebben het er gewoon niet over.

Maar dan nadert in de verte de enige uitzondering, een cabriolet. Al op honderd meter zie ik de pet van de bestuurder en de wapperende blonde haarbos van mevrouw.

'Kijk', zeg ik, 'dat is nou een cabriolet.´ De inzittenden acht ik irrelevant, hoe benijdenswaardig hij, hoe begerenswaardig zij ook moge zijn. Rosie zal daar geen oog voor hebben.
´Dat is een auto met een dak voor als het regent en zonder dak voor als de zon schijnt.'

Rosie hoort het onbewogen aan. Er is zoveel vreemds in de wereld. Ze kijkt er niet van op.

'Zo'n auto heb ik altijd graag willen hebben. Bij mooi weer ben je buiten en toch een beetje binnen', mijmer ik nog maar eens hardop.
'Maar ja, hij is veel te duur voor mij. Daar heb ik niet genoeg centjes voor.'

Zoiets heeft ze blijkbaar meer gehoord. Ze draait haar hoofd bijna honderdtachtig graden en zegt, het blonde koppetje schuin omhoog: 'Och, Opa, je kunt toch niet álles hebben.'

Ze is twee jaar. Of ze me wil opvoeden of troosten weet ik niet, maar het hakt er wel in.

Want nu nog, zoveel jaar later, speelt het in de autoshowroom onwillekeurig door mijn hoofd terwijl ik mijns ondanks een beetje verlekkerd langs de blik geworden dromen slenter.

 

30 april 2011