kop_index

Been

Joppe is al bijna vier. In het kader van zijn voorbereiding op de kleuterschool verenigen we het nuttige met het aangename door tussen de middag zijn grote zus van vijf op te halen. De weg naar de school, waar hij binnenkort, "als het briefje komt", naar toe mag, kan hij wel dromen. Op zijn fietsje met zijwieltjes kart hij vrolijk genietend van alle hobbels in het trottoir een paar meter voor me uit. Tussen de jonge moeders en de afwachtende grootouders op het plein is hij stil. Het is altijd weer spannend of de bel geluid zal worden.

Als Lytske naar buiten komt krijg ik een knuffel en de schooltas en ook de jas, die ze natuurlijk niet meer aandoet voor zo’n kippeneindje naar het huis van Opa en Oma.

Joppe heeft zijn fietsje al in de goede richting gestuurd en zijn zus gaat achteropzitten. Ze is er eigenlijk te groot voor, want zelfs met gebogen knieën moet ze haar benen nog zijwaarts houden om niet de grond te raken. Als ze het walletje naast het schoolplein moeten beklimmen, heeft dat nadeel weer zijn voordeel. Lytskes voetbewegingen en een duwtje van mij in haar rug geven Joppe het idee dat hij op eigen kracht die hele hoge berg op gaat. Joelend slingeren ze over de stoep en ik denk dat ze geen acht slaan op mijn luide vermaningen om een beetje voorzichtig te zijn. Ze vieren hun weerzien na drieëneenhalf uur.

Vlak voor het huis gebeurt het: ze staan abrupt stil en ik zie onmiddellijk wat er aan de hand is. Lytskes voet zit klem tussen zijwieltje en achterband. Twee seconden is het doodstil, maar dan begint ze hartverscheurend te huilen. Terwijl ik haar voet uit de benarde positie bevrijd, ontwikkel ik allerlei spookbeelden: gescheurde enkelbanden, ijszakken, doktersbezoek en verplicht stilzitten. Tussen de hartstochtelijke uithalen van haar huilverdriet door verzekert ze me dat ze niet kan staan en daarom draag ik haar de laatste twintig meter naar huis en vlij haar in de grote stoel.

Dat blijkt als effectieve troost gewerkt te hebben, want als haar pijnlijke voet van schoen en sokje zijn ontdaan, heeft ze nog maar twee korte snikjes over. De verwonding stelt ook niet veel voor: een krasje en een deukje op het onderste deel van het scheenbeen. Ik mag het aanraken. En nu komt het project over "het menselijk lichaam", dat in de kleuterklas voor de vakantie afgesloten is, goed van pas. Ik krijg even een korte uitleg. ‘Kijk Opa, dit is het bot en dat is boven breed en onder smal. En als je dood bent, halen ze het uit je been en geven het aan een hond.’ Hier moet ik toch even tegen protesteren. ‘Nee hoor, schatje, als een hond een bot krijgt, is dat van een dier, niet van een mens.’ Ze probeert het nog een keer: ‘Ja maar, dat beest is toch ook doodgegaan?!’ Daar heeft ze natuurlijk gelijk in, maar als ik begin over de gebruikelijke gang van zaken, herinnert ze zich weer dat dode mensen begraven worden of verbrand. O ja, de Mama van haar Papa is gecremeerd en laatst hebben ze met het gezin de herdenkingsplek opgezocht. ‘Oma ligt niet onder de grond, maar ze zit in een vaas’, zegt ze en ze hinkelt naar de lunchtafel.

Met zachte drang halen we haar over om een schijfje ham als beleg te gebruiken. Ze had in de gegeven omstandigheden liever hagelslag genomen.