kop_index

 

Ketting

Je kent ze wel, die kille druilerige middagen, die je verleiden om de stoplichten te negéren omdat je wilt opschieten om zo gauw mogelijk je fiets in de schuur te kunnen stallen, waar de herinnering aan koffie al voorzichtig ruikbaar begint te worden.
Van die middagen als de straten blinken van de motregen en je bril meer een belemmering dan een hulpmiddel is.

Op zo’n middag rij ik door de stad naar huis. In mijn ooghoek zie ik op het laatste moment rechts van me een brommer uit een straatje komen. Te laat om voorrang te verlenen, maar vroeg genoeg om vast te stellen dat er twee jongens met integraalhelm op zitten, die me twintig meter verder voorbij knorren.
Zij wachten wél bij het stoplicht. Ik dus ook maar. Ik zie het als een beroepsdeformatie: met jeugd in de buurt blijf ik - ofschoon al jaren met pensioen  - het goede voorbeeld geven. Zelfs op zo’n middag.

Op het moment dat ik stop maak ik een schakelfout en het volgende moment voel ik dat ketting slap hangt. Zul je altijd zien, net op zo’n middag.

Ik stap met een sjagrijnige zwaai af en bekijk de schade. Zonder vuile handen te maken is het moeilijk om het mechanisme weer aan de praat te krijgen en in eerste instantie probeer ik dan ook of er wellicht een wonder wil gebeuren. Ik draai eens aan de trappers, naar voor, naar achter, maar het mirakel blijft achterwege.

‘Ziet er niet best uit, meneer’, zegt de passagier terwijl hij al van de grote brommer stapt. Hij knielt met zijn goede goed op het natte plaveisel en begint aan de ketting te trekken. Ikzelf zou de andere kant op trekken maar op zoveel hulpvaardigheid kun je bezwaarlijk met kritiek reageren.

Dus ik zeg: ‘Zo krijg je wel vuile handen.’

‘Geen probleem’, vindt hij.

Ook na een half minuutje is er nog geen zicht op reparatie.

De bestuurder zet de brommer op de standaard. Hij schuift helper nr. 1 terzijde en begint vakkundig de ketting en het tandwiel tot samenwerking te bewegen.

Een beetje verlegen met zoveel hulp wijs ik ook hem op het gevaar van smerige vingers.

‘Geen probleem’, zegt ook hij.

Intussen heeft hij het malheur verholpen en ordelijk na elkaar bestijgen ze de brommer. De jongen voorop speelt luidruchtig met zijn gaspedaal. Wachtend op groen kan ik ze nog net luidkeels bedanken.

‘Geen probleem’, roept de passagier.

‘Geen probleem’, schreeuwt de chauffeur, omkijkend en zijn hand opstekend.

En weg zijn ze. De motregen in.

Leuke jongens. Marokkanen, geloof ik.

 

19 november 2013