kop_index


Koud

Als het zo koud is als nu, moet ik vaak aan hem denken. Aan meneer Jaeger, een dierkundige, die aan het eind van de 19de eeuw in Stuttgart woonde. Ongeverfde, wollen onderbroeken waren volgens hem het meest aan te bevelen voor de gedegenereerde stadsmens om het natuurgevoel weer terug te krijgen. Mijn vader was bepaald geen stadsmens. Toch droeg hij ze, vooral als het erg koud was. Dat zag ik aan wat er aan de waslijn hing.

Vaak vroor het tijdens het droogproces. Hoe ze dan konden drogen is me altijd een raadsel gebleven. Wijdbeens en stijf hingen die vreemde vormen aan de lijn: aan de bovenrand een brede elastiekrand, een rijtje stofomklede knopen boven de lage zolder van het kruis. Rechts en links naar beneden liepen de pijpen taps naar hun eindje. Aan de onderkant leken ze wel dicht te zitten, zo smal was het daar.

Als het moment gekomen was dat Moeder niet meer geloofde in het proces van vriesdrogen, droeg ze ze rechtop in haar armen het huis in. Ze waren breekbare waar geworden. Op het rek rond de kachel hervonden ze hun vorm en bruikbaarheid.

Die kachel is jarenlang de enige stookplaats in het huis geweest. O zeker, er was ook een haard in de kamer, maar die werd niet dagelijks gestookt. Zonde van de kolen. Mijn herinneringen aan de winter zijn dan ook ijskoud, stijf als de jaegeronderbroeken van mijn vader. In de keuken was het bij het fornuis nog wel uit te houden, al was je rug steenkoud, terwijl je voorkant gloeide van de straalwarmte. De hele dag riep mijn moeder: Doe de deur dicht! maar het tochtte door alle kieren en sleuven. De warmte was niet aan te slepen!

De wc was een vriescel, die je zo weinig mogelijk bezocht. In de slaapkamer stonden de ijsbloemen op de ruiten. De lakens lagen stijf op het bed. De sneeuwachtige witte zweem op de dekens maakte kinderbedtijd nog minder aantrekkelijk dan hij al was. De kapokmatrassen voelden klam aan. We mochten als het echt koud was, beneden voor de kachel onze pyjamaatjes aantrekken. Enigszins opgewarmd vlogen we dan met een kluwen kleren over de arm naar boven en doken met doodsverachting dat kille bed in.

Ach, ik geef het toe: tegenwoordig zijn er mensen die de held uithangen door op nieuwjaarsdag even de zee (en het tv-beeld!) in te rennen, een zelfverkozen martelaarschap van twee minuten. Heel wat langer duurde het voordat onze bibberaties onder de dekens ophielden. Wat we daarna nog moesten vrezen waren de steenkoude plekken in het bed die we vanuit het warme deel nog niet geƫxploreerd hadden.

Maar ooit werd het morgen. In de vroege jaren '50 hadden we nog geen waterleiding. Op de tafel van de slaapkamer stond een lampetkan. Als het washandje stijf bevroren over de rand van lampetkande kan krulde, dan, en alleen dan, mochten we ons beneden aankleden. Met de deken over ons heen schoven het bed uit om te kijken of er sneeuw lag. Een minuutje blazen tegen de ijsbloemen - pas op dat je niet met je lippen tegen de ruit aan komt, want dan vriezen ze vast! - gaf uitzicht en uitsluitsel. Groot was de opwinding bij een positief onderzoeksresultaat. De kou was snel vergeten, het ontbijt sneller dan ooit naar binnen gewerkt en de eerste glijbaan was een kwartiertje later gevormd.

Een glijbaan? Wanneer heb jij voor het laatst een glijbaan gezien? Moderne kinderen doen dat niet meer. Papa's en mama's en meneren en mevrouwen van de school vinden dat vast te gevaarlijk. Glijden met kniebeschermers en elleboogstukken aan is misschien bespreekbaar, maar zonder een TNO-gekeurde helm zal geen pedagoog zoiets nog toestaan.

04-01-2010