kop_index

Elke week één keer

Elke week moet het er één keer van komen. Meestal maak ik het plan ertoe al een dag eerder, niet omdat ik me daags tevoren al verkneukel bij de gedachte, maar meer omdat het op mijn leeftijd de nodige voorbereiding behoeft. Ik moet me vooral realiseren dat andere lichamelijke activiteiten op de dag van uitvoering beperkt moeten worden. Een fikse wandeling of een fietstoer van enige omvang moeten van het dagplan worden geschrapt, tuin- en andere klusactiviteiten schuiven een dagje op. Genoeg is genoeg.

Het plan bevat dus om te beginnen een beperking voor de rest van het dagrooster. Verder moet ik een gunstig tijdstip bepalen. En dat hangt weer samen met de bezigheden van de middag en avond tevoren. Voor zover die geen recuperatie verlangen, als het alcoholgebruik tot het normale avondlijke glaasje wijn beperkt blijkt en indien we op een redelijke tijd naar bed gaan, kies ik tegenwoordig de voormiddag.

schoenenDe uiteindelijke beslissing over de realisatie van het plan hangt af van Erwin Krol. Als die geen zware regen of zeer heet weer voorspelt, sta ik de volgende morgen na een sober ontbijtje wéér in de slaapkamer en kleed me om tot jogger. Even later hol ik, in het begin wat stijfjes maar allengs soepeler, richting trimbaan of naar Udenhout, richting dierenasiel of naar het Galgenven. Ik weet nooit helemaal zeker welke route ik zal lopen - daarin voorziet het plan niet. Immers, luisterend naar mijn lichaam kom ik soms tot de conclusie dat acht kilometer looppas vandaag te ver is of dat het juist wel een onsje meer mag zijn.

Na vijftien jaar of misschien nog wel langer, heeft iedereen in het dorp me wel eens zien lopen en val ik niet meer op. Denk ik.

Ik kom trouwens ook altijd thuis zonder wie dan ook opgemerkt, laat staan gegroet te hebben. Achteraf vraag ik me soms af, wat er tijdens het trimmen dan wel door mijn hoofd is gegaan. Een enkele keer weet ik dat ik een stukje gelopen heb op het ritme van het liedje van de tjiftjaf die ik hoorde of dat ik een regel uit een stompzinnig deuntje niet uit mijn hoofd kon krijgen. Maar meestal kan ik me niet herinneren aan iets anders dan aan lopen gedacht te hebben: het tempo, de weg, het verkeer, de buiging van mijn armen, de toenemende zwaarte van mijn benen, de resterende afstand, het eindpunt.

Het eindpunt: de groene, zo mooi groene lantaarnpaal voor de deur van mijn eigen huis. Tegen die paal geleund sta ik dan rekkend en strekkend uit te hijgen en voel ik me langzaam een jaar of tien jonger worden. En daar komen er nog drie bij als ik meen te voelen dat ik nóg wel een stuk zou kunnen lopen. Zou kunnen.

Maar voor vandaag is het mooi geweest. Het wordt tijd voor een douche en voor het moment suprême: een jonge god op weg naar de koffie.