kop_index

Vleugels

Rosie staat - drie jaar is ze nu - op de smalle rand van de zitbank en telt dreigend tot tien om vervolgens met een ferme sprong in zithouding op het kussen terecht te komen.
'Ik vind dat wel een beetje gevaarlijk, hoor!', waarschuw ik. 'Als je een beetje pech hebt, val je achterover.'
Ze heeft ervaring: 'En dan heb ik pijn. Maar ik doe heeeel voorzichtig, hoor Opa.'
Voor de tweede, de derde, de vierde keer klimt ze op een krukje, staat te wankelen op de rand - goed, één handje mag ik dan vasthouden - telt zover ze kan (dat is tot vijftien) en springt juichend weer tot zithouding.

In de rustpauze komt het gesprek op Oma Gerry. Rosie is gisteren in Maastricht geweest en Oma was er niet. Ze is naar Amerika, weet Rosie nog te vertellen.
Neen, niet helemaal alleen, maar met Arjen.
'Aha', doe ik dom, 'met de auto zeker.'
'Nee, dat kan niet, want Amerika is heeeel ver. Dan moet je met het vliegtuig.'
'Heb jij wel eens in een vliegtuig gezeten?'
Zeg daar maar eens nee op. Natuurlijk heeft ze gevlogen. Met Papa. En toen ging ze zooo de lucht in en ze ging zooo weer omlaag.
'Wij landden', zegt ze geleerd, alsof ze het ook al met dubbele d kan schrijven.
'En toen stapten we uit.'
'O. Kun je daar zomaar uitstappen?'
Het antwoord komt niet meteen. Details vergen tijd.
'Nee, je moet eruit klimmen', bedenkt ze ter plekke.

'Dus eigenlijk kun je vliegen', probeer ik samen te vatten.
Ik zit er weer helemaal naast. Dat kunnen immers alleen elfjes. Die hebben rose vleugels en daar doen ze zó mee (ze wappert met haar armen) en dan vliegen ze.
Nee, zo hoog als een vliegtuig komen ze niet, boven in de bomen is maar heel gewoon.
'En als het hard waait? Vallen ze dan op de grond?'
Ze begint te twijfelen aan mijn voorstellingsvermogen.
'Nee, natuurlijk niet. Ze hebben toch vleugels!'

Vermoeiend hoor, zo'n Opa die er niks van begrijpt.
'Zullen we dan nou verstoppertje spelen, Opa? Dan moet jij hier achter het gordijn gaan staan en dan zal ik tellen.'

Zonder tellen ben je namelijk nergens.