kop_index

buizerd

BUIZERD
van duidelijke komaf

Tijden veranderen: Volgens het Woordenboek der Nederlandsche taal komt de buizerd 'hier te lande alleen in de boschrijke streken' voor. Dat was honderd jaar geleden zo. Nu is de buizerd zo talrijk geworden dat je hem overal kunt aantreffen, in bossen, in open veld en langs de snelwegen. (Wat dat zijn heeft de redacteur van het WNT tussen 1892 en 1902 niet kunnen weten; tijden veranderen.)

Een buizerd die in een mistig landschap roerloos op een rasterpaaltje langs de autoweg zit, ziet er uit als een slome duikelaar. Met volmaakt desinteresse laat hij het verkeer voorbijrazen. Hij wacht blijkbaar op betere tijden.

Het is al heel anders als je hem tijdens een fietstochtje in een boom ziet zitten. Hij heeft je allang gezien, veel eerder dan jij hem. Als je rustig doorrijdt is de kans groot dat hij blijft zitten; afstappen en je verrekijker richten betekent dat je naar hem kunt fluiten.

Het mooist vind ik de buizerd op een mooie voorjaarsdag, als hij met zijn vrouwtje hoge cirkels trekt door de blauwe lucht en je op honderden meters afstand zijn roep kunt horen: pjöööw, pjöööw. Het klinkt een beetje klagend en treurig in mensenoren, maar buizerds vinden dat waarschijnlijk juist zo mooi.

Hij schijnt hier en daar ook muizerd te worden genoemd; in aanmerking genomen dat hij graag muizen eet, is dat rijmwoord niet zo verwonderlijk. Verder noemt het WNT streeknamen: b.v. hanekop (dat begrijp ik dan óók nog wel), maar wat te denken van (h)aneschop en domper? Daar kan ik geen chocola van maken.

Laten we het maar bij buizerd houden. Het Frans is de bron voor die naam. In de middeleeuwen bestonden er twee vormen die voor de etymologie van belang zijn geweest: busard en buse (ontstaan uit buson, buison). Het eerste hebben wij in de 16e eeuw overgenomen, net als de Duitsers (Bussard) en de Engelsen (buzzard).

(Het woord buse, zoals de vogel in modern Frans nog altijd heet, is waarschijnlijk terug te vinden in elzenbuus, waarmee volgens het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal in oostelijke provincies een havik aangeduid wordt.)

De Fransen hebben de naam ook niet zelf bedacht. Zoals zoveel Franse woorden komen ook buson en buison van oorsprong uit het Latijn. Daar heette de vogel buteo, een benaming die samenhangt met een werkwoord butire, dat schreeuwen betekent. Tenminste volgens Van Dale.
Zoekwerk in een aantal middellatijnse woordenboeken levert inderdaad een werkwoord buteo op. Het betekende oorspronkelijk het 'bu'-roepen (klinkt als 'boe') door een roerdomp. De volgende betekenisstap zal schreeuwen moeten zijn geweest, want van een buizerd hoor je boe, noch ba.

Conclusie: De buizerd ontleent zijn naam aan zijn roep.

 

gans
ooievaar