De betekenis van de naam Putman

Fragment uit: Jan Siebelink - Knielen op een bed violen.

(Hans is de man die later in de ban komt van een sekte, waardoor zijn hele gezin een vreselijke tijd beleeft. In nevenstaand fragment is hij nog een schooljongen die in de pauze op de speelplaats zijn favoriete spelletje speelt: pantomime.)

 

Het was niet altijd duidelijk wat hij uitbeeldde. Nu zou je zeggen dat hij een schop in zijn hand hield, diep, moeizaam groef, klei in een emmer schepte, met die zware emmer sjouwde (weer dat hijgen), een ladder op uit een diepe kleiput, de klei op een kar kieperde, wiebelend weg reed over een smal spoor. Het kleine publiek begreep hem. Hij speelde zijn vader. Hun eigen vader was putman of kleitrapper. Lathum was een heel arm dijkdorp.

....

Zijn vader had graag vormer op de steenfabriek willen worden. Aan de vormtafel staan. Hij had ook wel aardmaker willen worden. Met blote voeten de klei kneden tot elke ongerechtigheid verdwenen was en de klei soepel genoeg voor de vormer. Vader had tijdens het werk, niet zo lang geleden, even voor de regen geschuild. De werkbaas had hem gezien.
‘Wat doe je daar?’
‘Ik heb het koud.’
‘Koud is het voor iedereen.’

siebelink_antwoord

PUTBAAS

In het Woordenboek der Nederlandsche Taal staat het woord putman niet; wel wordt de term putbaas genoemd. Ook hier gaat het over iemand die betrokken is bij graafwerkzaamheden.

Putbaas (13, e), voorman, ploegbaas van een ploeg grondwerkers of polderjongens.

Bij groote aardewerken wordt door den aannemer aan de aardewerkers, welke gewoonlijk in ploegen van 10 à 12 man verdeeld zijn, de te verwerken grond bij gedeelten uitbesteed; een persoon van zoodanigen ploeg, die den naam van ploeg- of putbaas draagt, is dan met de overeenkomst wegens den prijs belast en bij het opmeten van het gedane werk tegenwoordig.

De arbeiders zijn veelal in ploegen afgedeeld, waarvan een gedeelte in den put staat om de kruiwagens te laden, een tweede vervoert den grond enz.   … Aan het hoofd van zulk een ploeg staat doorgaans een putbaas, die alles regelt, b. v.: de rigting der kruiplanken.

H., te Sliedrecht, putbaas van rijswerkers, W., te den Oever (Wieringen), putbaas van steenzetters, K., te Ter Apelkanaal …, putbaas van grondwerkers (krijgen de eeremedaille, verbonden a. d. Orde v. Oranje Nassau),   N. Rott. Cour. 25 Sept. 1933.

Aan den anderen kant van de keet, daar waar de putbaas zijn kamer heeft, verdringen zich de polderjongens voor de ruiten.

Slag voor slag wordt de turf afgedeeld, die door den graver, ook wel putbaas of ploegbaas geheeten, met een … houten schepje … wordt opgenomen. 

Je zou je kunnen voorstellen dat zo'n 'aardewerkersploeg' uit putmannen bestond.

 




 

 

 

 

 

De tekst was voor mij aanleiding om Siebelink te vragen of hij die term zelf bedacht had.
Hij stuurde dit kaartje als antwoord.