kop_illustratie
gen 0 gen 8.2 gen 8.3b gen 8.3c

bou
man
1

bou
man 2
haf
kens 1
haf
kens 2
haf
kens 3

De familie Hafkenscheid
deel 1 (generatie 1 en 2)

Inleiding

Stamboomonderzoek

In tegenstelling tot de familie Bouman, van wie ik alles in archieven e.d. heb moeten opspeuren en ook anders dan bij de familie Putman, waarvoor al wel stamboomonderzoek was gedaan, bestond van de Hafkenscheids een uitvoerige, gepubliceerde stamboom. (E.M.A.H.Delhougne e.a., Genealogieën I, Instituut voor genealogie en streekgeschiedenis, Nijmegen, 1954, blz. 86-99). Ook daar gaat het overigens vooral om namen en personalia. Ik heb daar uiteraard dankbaar gebruik van gemaakt, maar de illustraties en de historische inkleuring heb ik er zelf bij gezocht. Verder heb ik gegevens ontleend aan
A.G. van Dalen: Het Huis Ulft door de historie, Ulft 1974
en Ben J.M.Wolters: Voorouderlijke familie van Gerardus Wolters uit Silvolde (Gld.), internet, 2009.

Oorsprong van de familie en de naam van mijn Moeder

De naam

De naam van mijn Moeder, Hafkenscheid, klinkt Duits en waarschijnlijk moet de oorsprong ervan ook inderdaad in Duitsland gezocht worden.

Om de betekenis van de familienaam te achterhalen, moeten we hem even in twee delen splitsen: Hafken en scheid.
Het eerste deel, 'hafken', betekent 'haveken', dat is 'havik'. (Nieuw Duits: Habicht.)
Bij het tweede deel, 'scheid', ligt de verklaring minder voor de hand. Scheid ziet men als de benaming van een afscheiding, een omheining, een grens.
Het zou kunnen dat de betekenis van het woord in de loop van de tijd veranderd is van 'omheining' naar 'wat er binnen de omheining ligt'. Zo'n betekenisverschuiving is bijvoorbeeld ook bekend van het woord 'tuin'. Het betekent oorspronkelijk 'omheining' en later 'stuk bewerkte grond'. In het Duits betekent Zaun altijd nog 'heg', 'schutting'. En in Tilburg staan oudere mensen 'in den hof den tuin te knippen'.
Kortom, de naam zou dan zoveel betekenen als: een stuk grond waar haviken voorkomen.

De oorsprong

bocum_havkenscheidIn Bochum, ten oosten van Essen ligt een gebiedje dat Havkenscheid heet. Er zijn op een onbewoond terrein voor de opmerkzame kijker nog resten van een oud kasteeltje te zien.

Volgens Delhougne (zie boven) leefde op deze Rittersitz in 1340 een leenman genaamd Deitrich von Havekenscede. Zijn nazaten zouden nog tot na 1600 op die ridderstede wonen. Allerlei documenten op het internet spreken inderdaad van een familie Havekenscheid die het gelijknamige 'Gut' bezaten. Deitrich ben ik echter niet tegengekomen.

Wel is al in 1340 sprake van ene Theodoricus de Havekenschede. Het valt niet uit te sluiten dat het om de bewuste Deitrich gaat, maar dat de naam hier in het Latijn is vertaald.

Uit een oorkonde van 1437 blijkt het bestaan van ene Diderich.

Op 23 november 1470 krijgt Dirich von Havekescede (± 1430 - ±1485) van de graaf van Limburg Stirum (Wilhem van Limborch to Stierhem) het landgoed Hafkenscheid ('Gut zu Havekeschede') onder Bochum. ('Boichem'). Zulke landgoederen waren oorspronkelijk een boerenhoeve die tot een Rittergut werd ontwikkeld door het aan adellijke families in leen te geven. De graven van Limburg Stirum waren in dit geval de leenheren -de gevers-, de Hafkenscheids de leenmannen - de ontvangers.

Toevallig komt een lid van de Van Limburg Stirum-familie ook zijdelings in de Putman-stamboom voor en wel als de burgemeester van Westervoort, die in 1866 de geboorteakte van Cornelis Hendricus tekende.


De leenmannen hadden onder andere de verplichting tot het betalen van tienden aan de plaatselijke pastoor. In 1540 ontstaat daarover een conflict met Dirich von Havkenschede. Die weigert de jaarlijkse afdracht van drie malter (± mud) graan en zes kippen omdat die verplichting volgens hem niet bestaat. De pastoor verschijnt pas in derde instantie ter zitting en verklaart dan dat het altijd veel moeite gekost heeft om de goederen op te eisen. Hij wil tijd om te bewijzen dat zijn recht wel degelijk bestaat door aan te tonen dat hij het graan en kippen wel altijd heeft gekregen. Het duurt tot 1542 voor ze de zaak afsluiten.

Rond 1600 gaat het Gut Havkenscheid in andere handen over: Elisabeth, de dochter van Melchior Havkenscheid, trouwt met Goswin von Düngelen en het landgoed is haar bruidsschat. Blijkbaar is ze de enige erfgenaam.

De Hafkenscheids hadden in de loop van de tijd meer bezittingen: een Rittergut in Altenbochum en Haus Lohmann bij Kamen. Verschillende benoemingen tot leenman van Haus Lohmann worden genoemd: 1562 Jaspar von Haveckenschede, 1568 Jörgen von Haveckenschede, 1585 Georg von Havekenscheidt en 1598 für Diedrich von Havekenschede († 1600). Deze Dietrich is een broer van Elisabeth en waarschijnlijk is hij de laatste mannelijke erfgenaam, waardoor Elisabeth de bezittingen krijgt en een interessante partij wordt voor Goswin.

Het staat vrijwel vast dat mijn Moeders familie aan deze familie Hafkenscheid verwant is. Wanneer de eerste Hafkenscheid van Bochum naar Ulft is gekomen en wie dat was, heb ik niet kunnen vinden. Het ligt voor de hand te denken dat de teloorgang van Haus Havkenscheid de belangrijkste reden voor emigratie geweest is.

De immigranten kregen de speciale bescherming van Graaf Oswald van Bergh, die tot het beroemde Duitse adelsgeslacht Hohenzollern-Sigmaringen behoorde. Johann Frederick Havickenscheidt werd benoemd in 1691 benoemd tot borchgreeff van het Slot Ulft. De taak van de burggraaf strookt niet erg met het beeld dat wij van graven en hertogen in die tijd doorgaans hebben. Dat blijkt wel uit de taakomschrijving. De term ' huisbewaarder' lijkt meer op zijn plaats. (Zie generatie 1).

hafkenscheid_wapen

Het wapen dat van de familie bestaat, is overigens niet origineel. Michaël Hafkenscheid (1772-1846), een welgestelde verfhandelaar in Amsterdam, heeft het laten maken, waarschijnlijk omdat hij meer dan ik overtuigd was van zijn adellijke afkomst, daaraan veel belang hechtte en over het geld beschikte om dat goed te laten merken.
Het stelt een havik voor op een groene berg. Het geel op de afbeelding dient in werkelijkheid goud te zijn.

 

 

Generatie 1: Johannes Fredericus (1660 - na 1722)

Er moeten meer familielijnen dan die van de tak, die hieronder is beschreven. Waarschijnlijk is Johannes Fredericus met broers en zussen naar Bergh gekomen. Ook zij hebben nakomelingen die waarschijnlijk niet al te ver uit de buurt gewoond hebben. Zo wordt in 1702 een Hendrik Hafkenscheid genoemd, die 21 daalder en 2 stuivers krijgt voor geleverde ijzerwerken. In welke familierelatie hij stond met Johannes Fredericus blijft onduidelijk, maar het bewijst wel dat er in die tijd nog meer Hafkenscheids waren, waarschijnlijk ook in Ulft. Van minstens nog één tak van de familie zijn tot in de 20ste eeuw nakomelingen bekend.

Johannes Fredericus
Wij weten niet precies wanneer Johannes Fredericus geboren is maar dat zal rond 1665 geweest zijn. Evenmin is bekend of hij de eerste Hafkenscheid was die uit Duitsland naar Ulft is gekomen. Het is wel de eerste van de lijn die we tot in de 21ste eeuw kunnen volgen.

In aanmerking genomen dat zijn leven zich 400 jaar geleden afspeelde, weten we eigenlijk tamelijk veel over hem.
Het eerste feit dat van Johannes bekend is, is een van de belangrijkste. Op 2 april 1691 werd hij door graaf Oswald van Bergh benoemd tot borchgreeff van het Huis Ulft.
Kort daarop, op 10 mei 1691, is hij in Dinxperlo met Theodora Borckes getrouwd. Ze was de dochter van een houtvester, Dirck Borckes. Gezien de plaats van het huwelijk zal de bruid daar in de buurt gewoond hebben.

Johannes en Theodora kregen minstens vier kinderen:

Wellicht heeft dit stamouderpaar nog een zoon gehad, die de naam van de werkgever van Johannes Fredericus droeg: Oswaldus. Ik ben wat onzeker over de toebedeling van dit kind aan Johannes en Theodora omdat niet uit te sluiten valt dat Johannes nog een of meer broers had.

Die Oswaldus heeft in ieder geval bestaan. Hij is getrouwd met Joanna Hillebrant. In september 1722 is in Ulft uit dit huwelijk Theodora Hafkenscheid geboren. Aangezien haar grootmoeder ook zo heette, zou het wel eens kunnen zijn dat oma de peettane was. Dat versterkt het vermoeden dat Oswaldus een zoon van Johannes en Theodora was, .
In Hoog-Keppel trouwde kleindochter Theodora op 29 maart 1760 met Hendrick (Henrik, Hendrik) Kriebel (Kribel), nadat ze daar in 1749 als lidmaat van de protestantse kerk was ingeschreven. In 1762 vertrok het stel naar Aalten waar hij kerkmeester en markerichter in het kerspel Aalten werd. Ze kregen (minstens?) twee zoons.
Johanna stierf in Aalten op 20 mei 1806.

(De echtgenote van een van de Kriebel-nazaten probeert de Hafkenscheids op Facebook in een groep bij elkaar te brengen. Maart 2015.)
caart ulftsche bezittingen

 

Een kaartje uit de 17e eeuw. Het noorden is niet boven aan de kaart maar links. Het huidige dorp ligt dus onder de kaart.

Leesbare benamingen:

'visserei, Coost verlooren, t huis ulft, Gaarde, brugh, den dieck, lang brugh [rechts], weeg van Ulft naar vegr[?]'

 

 

De benoeming tot burggraaf zou er niet alleen op kunnen duiden dat de graven van Bergh de Hafkenscheids al kenden voordat ze naar Nederland kwamen, maar ze geeft ook het vertrouwen weer dat die adellijke familie in hen stelde. Het kasteel was namelijk niet een vervallen ruïne maar wel degelijk nog in een behoorlijke staat. Nog maar kort tevoren had men zelfs overwogen om er de oudere zus van Graaf Oswald, Maria Clara, onder te brengen. De 'princesse douairière von Hohenzollern' was nog niet zo lang de weduwe van Maximiliaan von Hohenzollern-Sigmaringen. Dat de verhuizing uiteindelijk niet doorging lag niet aan de kwaliteit van de behuizing, maar meer aan allerlei juridische problemen.

Burggraaf
Het ambt van burggraaf was bepaald niet een soort erebaantje, al denk je dat al gauw bij zulke titels. Johannes Fredericus had zijn handen vol aan zijn taak als burggraaf, zeg maar huisbewaarder. 'Arbeid adelt, maar de adel arbeidt niet' gaat hier niet op. Toch moeten we ons waarschijnlijk ook niet al te veel van voorstellen van het adeldom van een borchgreeff. Het was in ieder geval een ondergeschikte functie.

De samenvatting van aanstellingsbrief luidt:

 

Hoe realistisch deze tekening is, is mij niet bekend, maar tot in de tweede helft van de 18de eeuw zijn de toren (links) en de gebouwen daarachter blijven staan.

We kijken naar het oosten, richting Bontebrug.

 

 

Voor al dat werk verdiende Johann Frederik 32 rijksdaalders per jaar en drie malder rogge. (Een malder is een oude inhoudsmaat:de hoeveelheid graan die door iemand tegelijk aan de molen mag worden gemalen. Of zoveel als een knecht in één keer de trap op kon dragen. De maat verschilde in grootte van streek tot streek; misschien was het ongeveer een half mud, zeg 50 liter.)
Secundaire arbeidsvoorwaarden waren: het gebruik van een koeweide, vrije woning en 'vrij brand' (bedoeld wordt stookkosten) , een hof (tuin) voor zijn provisie en eens per jaar een groene rok (jas).
(Gegevens ontleend aan A.G.van Dalen, Met het Huis Ulft door de historie, Ulft, 1974)

Dat hij inderdaad koeien hield op zijn weide blijkt uit een rapport over de veesterfte in de heerlijkheden Gendringen en Etten, waarin hij op 25 november 1720 genoemd wordt.
In de marge van dat rapport staat het kopje "Koeijen" en "Veersen". Daaronder wordt het verlies vermeld van 'twee koeijen van Jan Fred: Haeffkenscheijdt te Ulftt'. Met de toevoeging: 'getuijgen Jannes overkamp en Herm: Dierckinck'.

Van Theodora, zijn vrouw, is alleen met zekerheid bekend dat ze na 12 augustus 1715 gestorven is.

Johannes Fredericus is gestorven in 1722, 1723 of 1724.

kaart_haf1

 

Terborg, Schuilenburg, Ulft, De Wilt, Gendringen, Zwanenburg, Landfort.

linksonder: Emmerik.

Illustratie uit:
A.G.van Dalen, Met het Huis Ulft door de historie, Ulft, 1974

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Generatie 2: Fredericus (1700 - 1766)

Van zoon Fredericus weten we heel wat minder dan van Johann Frederik.
1700_fredericusOp 24 augustus 1700, op het feest van de H. Bartholomeus, werd hij in Ulft gedoopt. De peetouders, Gerardus Borckes en Gerarda Terhorst, traden op als vervangers van de Weledele en Hoogachtbare Heer Servatius Bocheim, Raadsheer van de Doorluchtigste en Excellente Graaf van Bergh en Rijtbergh en van de Doorluchtigste en Excellente Vrouwe Frederica Christiana, Gravin van Gelderen Zimmeren.
Niet de minsten, zou je denken. De familie stond blijkbaar in hoog aanzien. Latere geslachten moesten zich wat peetouders betreft toch maar behelpen. En trouwens, niet alleen qua peetouders.
Maar we moeten toegeven dat de gravin van Geldern er niet zelf bij was en dat de graaf van Bergh ook niet de moeite nam om zelf te komen. Hij vaardigde zijn raadsheer als peetoom af en zelfs die vond de geboorte van de kleine Hafkenscheid niet belangrijk genoeg om er hoogstpersoonlijk voor naar Ulft te reizen. De graaf liet zich dus vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van zijn vertegenwoordiger. Zo gaf hij voor de goede verstaander fijntjes aan hoe onmetelijk de afstand tussen Zijne Doorluchtigheid en de burggrafelijke Hafkenscheids in zijn ogen was.

Burggraaf
In 1722 werd Fredericus benoemd tot plaatsvervanger van zijn vader als burggraaf van het hoogadellijk huis Ulft. Hij verplichtte zich ertoe zijn kreupele broer en zijn oude vader te verzorgen. Toen de laatste in 1724 kwam te sterven, werd Fredericus - Derck in de wandeling - tot burggraaf benoemd. De condities waren dezelfde als die waaronder Johannes Fredericus in 1691 was aangesteld.

Gezin
Johanna Knippenborch (gedoopt 2 januari 1702 in Ulft) wordt op 30 mei 1726 zijn vrouw. Ze trouwen in de kerk in Ulft en krijgen zes kinderen. Van de vier dochters (Francisca (*1730), Oswoldina (*1736), Maria (*1738) en Theodora (*1740), komt alleen Maria nog in de stukken van 1764 voor. Ze is dan de bruid van Bernardus Westervelt. De twee zoons heten Frans Willem (*1731 - ?) en Christianus Maximilianus (1731-1806).

Huis Ulft
Het slot raakte langzamerhand dusdanig in verval dat grote delen ervan afgebroken moesten worden. Herbouw of renovatie zat er niet in. Het kasteel van de heren van Bergh was in 1735 geheel afgebrand en er zal weinig geld over zijn geweest voor het slot te Ulft. (Aldus A.G. van Dalen)
Na de afbraak in 1745 bleef er nog maar weinig overeind staan. Op onderstaande kaart bestaat het slot nog slechts uit een toren en twee haaks aan elkaar liggende gebouwen.

kaart1754

1754. (De bovenkant van de kaart is het oosten.) Het Huis Ulfft (!) is gekrompen tot een klein complex. Aan de westkant van de IJssel ligt het beginnende dorp.
De straat rechts naast het slot heet: 'Diek van Ulfft na de Bonte Bruegge'.

Voor een toelichting op bovenstaande kaart klik hier.

1754uitvergroot

Onder de -l- van 'Issel' ligt het oudste straatje van het dorp, de Waterstraat.
De huizen links onder worden met name genoemd omdat ze belangrijk zijn: links de 'Kerck en Pastorei', daarnaast de herberg van 'Borggräff Hafkensheid'. Daarnaast het pand van 'Hanß Wilbrink' en het vierde is van 'Hendr Kraen'.
De 'Diergaerde' zal de gemeenschappelijke weidegrond zijn waarop men - met vergunning - het vee mocht laten grazen.


Herbergier
Van het salaris als burggraaf alleen kon Frederik niet leven. Hij moest er een baantje bij moest nemen. In het nog kleine dorp vestigde hij zich als herbergier naast de 'Kerck en Pastorei' in het Wapen van Bergh. (Zie bovenstaande kaart.) Aan de weinige Ulftenaren zal hij niet zoveel verdiend hebben; wellicht is de locatie naast de kerk vooral op zondag van voordeel geweest. En verder kwamen er misschien doortrekkende handelaren en seizoenarbeiders. Om het hoofd boven water te houden, was een combinatie van twee vormen van levensonderhoud onontbeerlijk: burggraaf en kastelein.
(Taalkundig gezien is het interessant dat hier duidelijk wordt dat het woord kastelein echt met het woord kasteel samenhangt. Het moet in de geschiedenis dus vaker voorgekomen zijn dat de kasteelheer een logement begon.)

Op 9 juli 1766 is hij gestorven, nog net geen 65 jaar oud. Johanna hield het daarna niet lang meer vol: op 10 januari 1769 stierf ook zij.

vorige

 

 

Schematisch

1 Johannes Fredericus
(*±1660-† >1722)

Theodora Borckes
(* ?? - † >1722)

2 Fredericus
(1700-1760)

Johanna Knippenborgh
(1702-1769)