gen 0 gen 8.2 gen 8.3b gen 8.3c

bou
man
1

bou
man 2
haf
kens 1
haf
kens 2
haf
kens 3

De familie Hafkenscheid
deel 3 (generatie 5 en 6)

Generatie 5: Arnoldus Michaël (1816 - 1882)

Voordat we de lotgevallen - voor zover bekend - van mijn overgrootvader Arnoldus gaan behandelen, kijken we eerst even naar zijn broers en zussen.

Christianus
De oudste van het gezin van Fredericus Hafkenscheid en Suzanna Berkes heet Christianus. Op 10 april 1808 geboren, werd hij een dag later in Ulft gedoopt. Hij is niet erg oud geworden. Op 21 december 1834 stierf hij in zijn geboorteplaats. De enige verdere aanwijzing voor zijn bestaan vond ik in het bevolkingsregister van de gemeente Gendringen uit de jaren 1827-1836. Daar wordt hij geteld als lid van het huisgezin van Fredericus in Ulft op huisnummer 422.

Theodorus
Van zijn broer Theodorus (*14 april 1812, te Ulft) weet ik al even weinig. Ook hij staat op het gezinslijstje van de gemeente. En hij stierf in hetzelfde jaar als Christianus, namelijk op 21 maart 1834.

Engelina
Engelina Theodora
is geboren in 1812 of 1813 want volgens de overlijdensakte was ze op 13 december 1827 veertien jaar. Ze staat niet op het gezinslijstje, dat blijkbaar dus na december 1827 is opgesteld.

Gezi(e)na
Gezi(e)naTheodora
staat er wel op. Ze is van 10 april 1814 en op dezelfde dag als haar zusje gestorven. Zou haar zus niet thuis hebben gewoond? Of zit er een fout in mijn gegevens?

Wat een ellende in één gezin: op één dag in 1827 sterven twee tienermeisjes en in het jaar 1834 worden twee jongemannen uit het leven weggerukt.

Fredericus en Suzanna hebben nog drie zoons over:

Hendrikus
Hoewel hij jonger is dan zijn twee broers Johannes en Arnoldus bespreken we eerst Hendrikus Cornelius.
Hij was het kerstkind van de familie: geboren op 25 december 1820. Op de tweede kerstdag werd hij gedoopt. Hij werd eigenaar van een blauwververij en exploiteerde een drukkerij van katoen en linnen. Op grond van gegevens over Arnoldus denk ik dat die ververij (annex drukkerij?) in Doetinchem stond.
Hendrikus staat op het gemeentelijstje van 1827. Verder blijkt uit een mededeling uit 1855 dat hij met zijn oudere broer Jan Willem recht heeft op het drijven van vee (schaarrecht) op de gemeenschappelijke IJsselweide. Of dat vóór of gelijk met zijn andere beroepsactiviteit was, moet ik in het midden laten.

Hij trouwt in 1850 met Johanna Aleida Borggreven (1820-1912) en ze krijgen vijf kinderen.

Het eerste en het vierde kind worden levenloos geboren. De anderen zijn:
Gerardus Christianus (1857-1957),
Fredericus Alphonsus
(1858-1928)
en Maria Susanna Elisabeth ((1860-1944).
Het waren Hafkenscheids die niet aan de geboortegrond hechtten. Ze volgden blijkbaar het voorbeeld van Michaël, de oom van hun vader, die immers als eerste uit de geschiedenis van de familie ver uit Ulft wegging.
Maria stierf namelijk in 's-Heerenberg, Fredericus in Hoorn.

Gerardus als (jonge) frater bij de Fraters van Utrecht. De foto zal rond 1880 gemaakt zijn - en bijgewerkt!

frater hafkenscheid

 

 

Gerardus Christianus werd Frater Franciscus. De neef van zijn vader was Pater Bernard, die stierf toen Gerardus 8 jaar was. Hij zal hem nooit gezien hebben. Maar misschien is hij toch de inspiratie geweest om in 1875 in te treden bij de Fraters van Tilburg maasbode daarna bij de Congregatie van de Fraters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart te Utrecht, een orde die pas twee jaar bestond. Van 1891 tot 1900 was hij Overste.
Zijn belangrijkste verdiensten liggen op het gebied van het onderwijs. Hij was lange tijd leraar aan de kweekschool St.Ludgerus in

Hilversum en hij ijverde tientallen jaren voor de oprichting van katholieke

scholen. Zijn naam wordt genoemd als samensteller van een boek over de Congregatie van de Fraters. Toen hij bijna 100 jaar was, is hij in Utrecht gestorven.

 

Een berichtje uit De Tijd
van 11 november 1955

 

 

 

Johannes
Op 11 augustus 1816, om 11 uur voormiddags wordt bij de familie een zoon geboren: Johannes Wilhelmus. Hij wordt aangegeven als wettige zoon van Fredericus en Suzanna door Hendrik Wilbrink (van nummer 421, de buurman dus) en Wessel Hafkenscheid, de koopman/onderwijzer die we al eerder hebben ontmoet. Hij heeft zelf ook een aangifte doen, want zijn gezin is op dezelfde morgen ook om 11 uur uitgebreid met Berendina.

De volgende dag komen dezelfde getuigen terug om nóg een kind van Fredericus te laten registreren: Arnoldus Michaël. Hij is op 12 augustus geboren, om 10 uur 's morgens. Johannes en Arnoldus vormen dus een tweeling hoewel ze de geboortetijd 23 uur verschilt. Het lijkt erop dat de ouders en de verloskundige (dat is waarschijnlijk gewoon de buurvrouw of op zijn hoogst een baker) niet hadden verwacht dat er na Johannes nóg een kind zou geboren worden. (Een deskundige vertelde me dat zo'n onopgemerkt tweelingkind flinke risico's liep op fatale bloedingen, waardoor zulke geboortes vaak slecht afliepen. Tegenwoordig is al maandan bekend dat er een tweeling op komst is en wordt het tweede kind indien nodig 'gehaald'.)
Bij het lezen van de aktes kreeg ik vooral medelijden met de moeder!

Over Johannes zijn leven kunnen we kort zijn. Hij volgde zijn vader op als herbergier van het Wapen van Bergh (hij wordt dan ook een keer 'tapper' genoemd) en hij werkt ook als landbouwer, misschien wel tegelijkertijd. (Als zodanig was hij uiteraard geïnteresseerd in het schaarrecht op de IJsselweide. Met broer Hendrikus mocht hij daar vee laten grazen.)
In 1842 trouwt hij met Maria Marneth (1813-1871). Of zij kinderen hebben gehad, is me niet bekend. Het interessante aan Maria is het beroep van haar vader: hij is geen landbouwer of blauwverver, maar werkt als zandvormer. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij een functie bij DRU, waar hij dus de vormen maakt die gebruikt worden bij het gieten van potten en pannen.
Zo raakte de Ulftse industrie in de familie Hafkenscheid.
Een laatste vermelding van Johannes vond ik nog in het bevolkingsregister: samen met ene Engelbertus Robben komt hij op 25 maart 1879 de dood melden van een 11 jaar oud weesmeisje, Theodora Antonia, het dochtertje van Franciscus Josephus Teitink en Geertruida Dinklo.

Jan Willem stierf op 11 maart 1889.

Arnoldus Michaël
arnoldus geboorteDe drieëntwintig uur jongere tweelingbroer van Jan Willem werd dus op 12 augustus 1816 geboren en op dezelfde dag aangegeven bij de burgerlijke stand. Vader Fredericus heeft dezelfde getuigen als bij Johannes opgetrommeld. Zijn geboorteplaats is de gemeente Etten, waartoe indertijd ook een deel van Ulft hoorde. Als 12-jarige staat hij uiteraard als medebewoner van huis nummer 422 genoteerd.

Rond 1846 wonen er andere mensen in het huis van de Hafkenscheids, maar Hendrikus en Arnoldus komen er een tijdje wonen nadat ze elders in het land geweest waren: Hendrik tot 1843 in Groningen en Arnoldus tot 6 januari 1846 in Amsterdam. Of ze daar voor blauwverver hadden geleerd of gewoon voor hun nummer bij de militie hadden gediend, kon ik niet achterhalen. Het is ook niet uitgesloten dat Arnoldus in Amsterdam connecties heeft gehad met de zaak van zijn oom Michaël. Die had in zijn verzameling verfgrondstoffen ook nogal wat indigo, en daar had Arnoldus als blauwverver natuurlijk ook verstand van.

arnoldushandtekeningOp 17 februari 1854 gaat Arnoldus trouwen met een meisje uit Megchelen, Hendrika Snelting, de dochter van de landbouwer Theodorus Snelting en Anna Smeenk. Arnoldus is met zijn 38 zij is 30.
Arnoldus woonde al sinds 1 mei 1853 in Doetinchem wonen, op het adres Hezenstraat A 260. Daar was de familie van Derk Coops, fabrikant, zojuist vertrokken. Hij werkt als blauwverver en schijnt er ook een winkel gehad te hebben. (Dat zou kunnen duiden op een leertijd bij de succesvolle Oom Michaël in Amsterdam.) Hendrika wordt de dag na de bruiloft in Doetinchem ingeschreven.

Arnoldus en Hendrika krijgen vier kinderen, van wie mijn grootvader Theodorus Hendrikus de derde is. (Zie verder Generatie 6) De hele familie woont in de Hezenstraat, alsmede een dienstbode en een knecht.

Na een huwelijk van zeven jaar, vlak na de geboorte van het vierde kind, op 30 mei 1861 sterft Hendrika.

failliet

Advertentie uit het Algemeen Handelsblad van 15 oktober 1861

 

Het drama wordt nog groter als eind oktober van datzelfde jaar de zaak in Doetinchem failliet gaat. Het moet een moeilijke tijd zijn geweest voor Arnoldus. In 1863 laat hij de Achterhoek achter zich en hij vertrekt naar de andere kant van het land, naar Den Haag. Daar vindt hij werk als 'kantoorbediende'. Dat staat in de huwelijksakte van 1866. Hij vindt daar namelijk een nieuwe levenspartner. Ze heet Cornelia Maria Stapel, de dochter van de 'slijter' Willem Stapel, die in Doornenburg geboren en ook in Den Haag verzeild geraakt is.

De tapper Willem Stapel haalt in 1841 de krant, het Algemeen Handelsblad en zelfs de Groninger Courant!, omdat hij voor het kantongerecht moest verschijnen. Hij had in de nacht van 12 op 13 juni van dat jaar in de Casuarisstraat geweigerd om een drenkeling 'waarbij nog leven werd ontdekt' in zijn huis op te nemen. Hij werd veroordeeld 'in eene geldboete van ƒ 25 en in de proces-kosten'. Over de motieven van de veroordeelde voor de hardvochtige behandeling wordt in het bericht niets gezegd.

Toen Arnoldus zijn dochter trouwde was dit verhaal al twintig jaar oud. Misschien heeft de nieuwe schoonzoon er wel nooit iets van geweten.

Cornelia is in 1832 geboren en is dus 16 jaar jonger dan haar bruidegom. In augustus 1867 wordt uit hun huwelijk een kind geboren, dat echter al na een maand sterft. Het jongetje heette Lodewijk Willem.

arnoldus_overlijdenArnoldus heeft verschillende baantjes: hij was dus eerst blauwverver, vervolgens kantoorbediende, daarna wordt hij besteller genoemd. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (1920) is dat 'iemand, wiens beroep het is pakken, koffers, brieven enz. aan hun adres te bezorgen; thans inzonderheid toegepast op de lopers van het post- of telegraafkantoor.' Dus inderdaad een postbode. Op zijn overlijdensakte staat dat hij een bediende is. Dat is helemaal vaag.

Na verschillende andere adressen woont hij vanaf 1876 aan de Bleijenburg, een zijstraat van de Lange en Korte Poten, niet ver van het Binnenhof. In 1880 is zijn huisnummer veranderd, van 44 in 23. Dat is ook het huisnummer van J.C.Stapel, slijter. Het heeft er de schijn van dat Arnoldus werk gevonden heeft in het bedrijf van zijn schoonvader, die opgevolgd is door J.Stapel, wellicht een zoon.
Tegen 1870 is er geen Stapel of Hafkenscheid in het Haagse adressenboek opgenomen. Later is er nog sprake van een tapper B.Stapel en een koffiehuishouder W.F.Stapel, maar die hebben andere adressen.

Die overlijdensakte is gedateerd:19 april 1882. De dag ervoor is Arnoldus overleden.

Cornelia bleef alleen achter en stierf op 4 januari 1887.

 

Generatie 6: Theodorus Hendrikus (1857 - 1921)

Fredericus Antonius
Theodorus was niet de eerstgeborene in het gezin van Arnoldus en Hendrika. Dat was Fredericus Antonius, die op 29 juni 1855 in Doetinchem werd geboren. De ouders hebben dus, als er geen kinderen administratief verloren gegaan zijn, vijf jaar op het eerste kind moeten wachten. Maar het was in principe wel de stamhouder.

Ik heb weinig over hem kunnen vinden. Hij staat vermeld op de lijst van bewoners van de Hezenstraat, maar zijn vertrek daar is niet aangetekend. Die lijst heeft als jongste jaartal 1861. Het vertrek van Arnoldus naar Den Haag in 1863 is dan ook niet vermeld. Ik heb de indruk dat Fredericus Antonius in ieder geval tot 1861 daar heeft gewoond. Maar wat is er met hem gebeurd na het overlijden van moeder Hendrika en het vertrek van vader Arnoldus? Vreemd is ook dat de notering de indruk wekt dat hij getrouwd is. Dat kan natuurlijk niet het geval zijn.

Uit andere bron heb ik begrepen dat hij in 1879 naar Nederlands Oost-Indië vertrokken is. Misschien kan ik nog eens in militaire archieven gaan zoeken naar meer gegevens.

Het tweede kindje heette Johanna Maria, geboren op 2 mei 1856. Ze wordt twee jaar en sterft op 7 september 1858. Er wordt in 1859 nog een meisje geboren, Johanna Christina, maar ook zij sterft jong, nog voor haar tweede verjaardag.

Theodorus Hendrikus
1857_geboorteakteTussen de twee meisjes, op maandag 28 september 1857 's morgens om 7.00 u wordt Theodorus Hendrikus geboren, mijn grootvader.

Vader Arnoldus geeft als beroep 'blauwverver' op.

De getuigen zijn Berend Hendriksen (59), die eigen werk doet - kleine zelfstandige, zouden we nou zeggen - en Gerrit Willem Greven (35), dagloner.

Alle comparanten kunnen schrijven, sterker nog, de handschriften zijn van geoefende schrijvers.

Maar ja, Arnoldus hoorde ook tot de middenstand, met alle contacten die daarbij horen...

Zijn moeder is al gauw gestorven. Hij was toen nog geen vier jaar oud. Twee jaar later, vanaf 19 oktober 1863 woont zijn vader in Den Haag. Theodorus wordt pas op 1 december 1865 in het Haags bevolkingsregister genoteerd. Bij wie hij de tussenliggende twee jaar heeft doorgebracht, is niet duidelijk. Wie kan het geweest zijn? Je zou denken dat de familie in Ulft zich over hem heeft ontfermd, maar in 1865 wordt hij in Doetinchem vanaf Hezenstraat 260 uitgeschreven. In november 1865, veertien dagen na het vertrek van Arnoldus, komt in het huis Hezenstraat de weduwe Helena Charlotta Neuyen-Rikkers te wonen met een zoon en een dochter van resp. 8 en 6 jaar. Het is niet ondenkbaar dat zij voor Theodorus hebben gezorgd.

1896 - huwelijk
We zien Theodorus pas terug in 1896. Dan woont hij in Ulft. In dat jaar trouwt hij als 39-jarige met Bernardina Bannink. Bernardina werkt als boerenmeid in Duitsland (Anholt), net over de grens. Zij is geboren op 8 juli 1865 in Wisch. Haar vader heet Derk (*1832). huwelijk1896Hij is landbouwer of boerenknecht, soms ook klompenmaker, en woont in Silvolde, gemeente Wisch. Bernardina's moeder is Catharina Buijl (*1832). Derk en Cato(?) hebben nog twee kinderen: Bernadus (*1867) en Willemina (*1870). (Zie verder de aparte bladzijde over de families Bannink en Buijl).

De ondertrouwakte van Theodorus en Bernardina. Omdat zij in Anholt, net over de grens, woonde en werkte, moest het voorgenomen huwelijk ook daar aangekondigd worden. De burgemeester heeft op 15 november 1896 onder aan het document genoteerd:
Ausgehängt am Rathhause zu Anholt am 30. Oktober 1896.
Abgenommen den 15. November 1896.

Vanaf hun trouwdag, 17 november 1896, wonen Bernardina en Theodorus samen. Maar al op 19 januari 1897 trekken Derk en Catharina - de ouders van de bruid in de wittebroodsweken - en haar broer Bernadus bij hen in. Later komt de vrouw van Bernadus, Antonetta Rensen, er ook nog bij.

Kinderen
Op 14 september 1897 wordt Catharina Antonia Hafkenscheid geboren. Ze wordt Cato genoemd. Op 26 december 1898 komt er een broertje bij: Stephanus Theodorus Christianus.

De voornaam van de boreling is - gezien de heersende traditie - wel hoogst opmerkelijk. In de hele familie is geen Stephanus te vinden. En zeker de oudste zoon krijgt toch de naam van opa van vaderskant. Dat zou dus Arnoldus moeten zijn. Maar nee, hij heet Stephanus. Ik ga even speculeren: bij de aangifte op de derde kerstdag kon vader Theodorus niet zo gauw bedenken hoe ook weer zijn vader heette. Of hij had iemand anders afgevaardigd. De ambtenaar stelt dan voor de heilige van de dag te betrekken in de naamgeving. De tweede kerstdag is het feest van St.Stephanus. Zou het zo gegaan zijn?

Broer Bernadus en Antonetta hebben dan al hun eerste kind en krijgen hun tweede in maart 1899. Het huis raakt langzaamaan enigszins overbevolkt, zou je toch denken. Kennelijk dachten de echtelieden daar anders over. Ene Wilhelmus Aalders komt er ook nog een maand of vier wonen, tegelijk met Johanna Aalders, die na een maand vertrekt. En op 1 september 1900 wordt Henrica Bernardina Bertha Hafkenscheid, mijn moeder, geboren.

gebborteakte moeder

Op zaterdag 1 september 1900 werd de aangifte opgesteld. Henrica was om 3.30 u gebroen.
De getuigen, Johannes Hogenkamp (49) en Gerhard Becker (41), waren buren. Bovenaan is nog de ondertekening van de vorige akte te zien - die van Leo ten Have.

Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Er is nooit een voorwerp of een geschrift van hem tot ons doorgedrongen. Alleen een gezinsfoto uit 1915 kenden we allemaal. En hier stond dan zijn handtekening. Ik ben er een paar minuten stil van geweest.

Op enig moment zijn Bernadus en zijn gezinnetje verhuisd, waarschijnlijk naar Terborg.

Op 16 februari 1903 wordt het vierde kind van de Hafkenscheids geboren: Gerhardus Wilhelmus.

Verdriet
Het is in het huis waarschijnlijk wat minder druk geworden. Er kan weer een beetje ademgehaald worden, maar nu volgen er andere problemen: in dertien maanden tijd sterven in hetzelfde huis drie mensen.
De kleine Stef is op 20 februari 1904 net vijf jaar oud als hij overlijdt. En vier maanden later, op 10 juni, sterft ook de 71-jarige Opa Derk Bannink. Zijn vrouw, Oma Catharina Bannink-Buijl, overlijdt kort na haar man: op 13 maart 1905. Ze is dan 72 jaar.
(Mijn moeder heeft hen nauwelijks gekend, hoewel ze dus altijd inwonend waren. Zij was bij hun overlijden nog pas vier.)

Behalve de ambtelijke noteringen zijn er geen sporen overgebleven van de overledenen. Mijn moeder sprak nog wel eens over een broertje, maar dan bedoelde ze Gerhardus, die ze goed gekend heeft. Want het ventje is, tien jaar oud, 18 juli 1913 gestorven. Toen was zij dus twaalf.

In het huisje aan de Veldstraat was het stil geworden. Met vieren bleven ze over: Theodorus en Bernardina, Cato en Rika.1921 trouwdag cato

Mijn tante Cato vertrok in 1921 met haar man Josephus Wilhelmus Striekwold naar Lichtenvoorde, waar hij een administratieve functie bekleedde in de schoenindustrie. Rond 1940 vertrokken ze naar Heemstede. Ze hadden zeven kinderen. In 1943 stierf hun 21-jarige dochterAnnie in Bilthoven ten gevolge van tbc. Oom Jozef en Tante Cato verhuisden nog één keer, nu naar Emmen, waar hij in 1962 stierf. Tante Cato ging terug naar Haarlem en stierf daar in 1964.
Op dit moment - maart 2013 - zijn nog vijf kinderen-Striekwold in leven.

Bij Finis in Ulft werd op of na 5 november 1921 de bruiloft gevierd van Cato en Jozef.
(staand:) 2de en 4de van links: Bertus Putman (20) en zijn vrouw Rika (21), in het midden Jozef Striekwold (24) en Cato Hafkenscheid (24);
zittend voor hen v.l.n.r. Bernardina Hafkenscheid-Bannink (56), Lambertus Gerhardus Striekwold (53) en Aleida Johanna Peters (42, geboren te Heteren), zijn derde echtgenote.
(Jozefs moeder was Theodora Johanna Teitink (*1868). Zij was op 20 augustus 1898 overleden tegelijk met haar tweede (?) kind. Daarna hertrouwde Lambertus in 1910 met Hendrika Schluter (*1877, te Hengelo). Uit dat huwelijk werd in 1911 Johannes Gerardus Wilhelmus geboren. - Die zit als 10-jarige op de foto waarschijnlijk vóór het bruidspaar. - Hendrika stierf in 1913. Het huwelijk met Aleida werd in 1914 gesloten. Zij overleed in 1941, hij in 1943.)

striekwold

Jozef Striekwold in 1961
cato

 

 

 

Cato Striekwold-Hafkenscheid in 1961

 

 

 

1918 - Lensing
Even terug in de tijd: In 1914 brak de wereldoorlog uit. Op 28 juni werd de Oostenrijkse aartshertog Ferdinand doodgeschoten en een goede maand later begon een oorlog die als zogenaamde frischer fröhlicher Krieg begon en in de loopgravenverschrikking eindigde.
Bernardina's zus Willemina, die met Theodor Lensing getrouwd was en sinds 1898 in Duitland woonde, moet de gevolgen van die oorlog aan den lijve ervaren hebben. Misschien heeft ze een of meer zoons moeten leveren aan het vaderland. Haar man komt in 1915 te sterven en ze blijft met zeven (van de negen) kinderen achter. Als ze zelf eind 1917 sterft, moet er hulp komen voor de kinderen. Zus Dina en zwager Theodorus in Ulft nemen twee kinderen in hun huis op: Anna Maria (*1909) en Maria Hendrika (*1910).

Van 1918 tot 1923 blijven beiden in huize Hafkenscheid wonen, ze worden de nieuwe zusjes van Cato en Rika en gaan in Ulft naar school. Mia blijft met enkele kortere of één langere periode van betrekkingen buitenshuis zelfs tot 1936. Geen wonder dat zij door mijn moeder als een echt zusje behandeld werd.

Anna vertrekt na een aantal dienstbetrekkingen naar Zwaag waar ze tot haar dood in 1959 pastoorshulp blijft.

Mia heeft ook een paar - maar veel minder - dienstbetrekkingen vervuld en vertrekt in 1936 naar Osterfeld waar ze met haar man Gerhard Wieskamp een gezin sticht. Ze sterft in 1979 in Neuss.

Voor een langer verhaal over de familie Lensing: klik hier.

Herinneringen
Over mijn grootouders kan ik verder niet veel vertellen. Mijn opa, die dat in zijn leven nooit geweest is, werkte op de Dru. Dankzij de informatie van Egbert Koops weten we nu dat hij slijper was in de afbramerij. Het moet een stille man zijn geweest wat de foto's ook wel enigszins doen vermoeden. Hij werd 'de Sijp (Seip?)' genoemd. Wat dat woord betekent weten we evenmin als waarom hij die bijnaam had.
Op 11 augustus 1921 is hij gestorven, bijna 64 jaar oud. Onder welke omstandigheden en aan welke kwaal, we weten het niet.

Wat we van hem hebben is een tweetal foto's, gemaakt binnen een tijdsbestek van enkele jaren.1915gezin

Op de eerste staat hij te midden van zijn kleine gezinnetje. Mijn moeder (l) zei altijd dat ze in die tijd veertien jaar was. De foto kan dus gemaakt zijn in juli 1915, - toen was ze nog veertien - misschien ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van haar moeder. In november 1916 waren haar ouders 20 jaar getrouwd. Aangezien de bomen volop in het blad zitten, valt die datum als mogelijkheid af. Het zou ook nog 28 augustus 1917 kunnen zijn, haar vaders 60ste verjaardag. Maar ik vertrouw liever op het ijzeren-pot-geheugen van mijn moeder. 1915 dus.

grootouders

De andere foto, van rond 1920, hing als tweelingportret links en rechts van de deur in onze voorkamer, waar we maar weinig kwamen. Als kinderen vonden we het maar sombere plaatjes. (We waren meer geïnteresseerd in een hond van zwart aardewerk, Billy geheten, op de schoorsteenmantel. Of zelfs in het H.Hartbeeld met de losse handjes, dat daar tegenover stond.) Het was ook geen vriendelijke boodschap die de portretten uitstraalden. Opa met zijn magere ingevallen gezicht, met zijn bijziende blik vanachter een modern ogend brilletje kijkt neutraal vorsend de kamer in. Zijn bolhoedje, zijn vadermoordenaar met de vóórgeknoopte das vonden we totaal ouderwets en zijn donkere pak deed denken aan een begrafenis. Oma kijkt een beetje stuurs; de donkere oogkassen suggereren een onderzoekende, strenge en enigszins afkeurende blik. Gelukkig liep ze nog in huis rond om te bewijzen dat ze ook anders kon zijn.

Want mijn oma is de enige van de grootouders die ik bewust heb meegemaakt.
Toch weet ik maar weinig meer van haar.

Ze was degelijk en streng, maar niet hard. Haar leven was er een geweest van armoede, lange dagen ploeteren en redderen. Ze moest streng zijn voor zichzelf maar ook voor haar omgeving omdat zonder haar vaste hand het leven voor de kinderen nog zwaarder zou zijn. En voor hen leefde ze.

Twee zoontjes waren al jong gestorvan, twee kinderen van haar gestorven zus nam ze in 1918 in huis op. Daarmee verdubbelde het kindertal van twee naar vier, allemaal meisjes. Hoe ze dat betaalden, mijn grootouders, ik weet het niet. Zouden ze van iemand een financiële toegemoetkoming hebben gehad? Ik betwijfel het. Toen Opa in 1921 stierf, verdienden haar twee eigen dochters er waarschijnlijk al een centje bij, maar de twee nichtjes zaten nog 1936_oma_en_kinderenop school, 11 en 12 jaar oud. De oudste, Anna, ging eind 1923 'in betrekking'. Mia, de jongste bleef in Ulft, al heeft ze daar ongetwijfeld ook werk gevonden dat nog een kleinigheid opbracht.

1936. Oma (71) met Diny (5), Cor (3), Theo (1) en Riet (4)

Cato, haar oudste dochter trouwde nog in het jaar dat haar man Theodorus stierf en ging in Lichtenvoorde wonen, twintig kilometer weg. Rika, haar tweede dochter - mijn moeder - trouwde in 1930 en bleef met mijn vader bij haar in huis wonen. In 1933 verhuisde het gezin (met inmiddels drie kinderen en waarschijnlijk ook nicht Mia) naar het nieuwe, grotere huis.
Het groeiende gezin kon de ervaring en de werklust van Oma Bernardina goed gebruiken. Zij, van haar kant, was blij dat ze zich verdienstelijk kon maken. Immers, een vrouwenhand en een paardentand mogen nooit stilstaan.
De kinderen hadden wel degelijk ontzag voor haar. Ze straalde overwicht uit en dat kwam bij haar goed van pas als hulp in de opvoeding.

Ze schilde aardappels, dopte de erwten en rangde de peultjes. Ze waste het aardewerk af en 'deed de kinderen in de teil'. Ze hielp eens per jaar bij de slacht, waar ze een aantal termen introduceerde die ze uit haar werk in Duitsland hat overgehouden. (Ze sprak over het gewei van het varken (das Eingeweide), over zwaremaag (Schwartenmagen = zult) en over de wim (Wiemen) waarin de worsten en het spek te drogen hingen.)

Zondags ging ze naar de laatste mis. Daarna stond ze op de hoek van de straat nog poosje te praten met een leeftijdgenoot en kwam dan naar huis gesukkeld. 1941_met_tweeling

September 1941. Met de één maand oude tweeling Henny (l) en Nico. Theo (5) staat naast haar.
De onafschedidelijke jasschort!

 

Ze stierf als 82-jarige tamelijk onverwacht in het ziekenhuis in Doetinchem waar ze voor een gebroken heup was opgenomen. In de voorkamer werd ze opgebaard. 's Avonds zat de hele buurt - op de knieën om de kist heen - de rozenkrans te bidden. Ik kan me van de begrafenis niets herinneren. Ik betwijfel of ik erbij geweest ben. Mijn jongere broer bevestigt dat. We werden te jong bevonden voor die gebeurtenis. De bijeenkomst naderhand hebben we volgens hem wel meegemaakt. Voor mij is dat een zwart gat.

 

1945_80_jaar

1945. Oma werd 80.

Het eerste en laatste grote feest ter ere van Oma. Daar hoorde een oorkonde bij, met een gedicht vol goede bedoelingen en onbegrijpelijk Nederlands, maar namens de zeven kinderen met liefde gecalligrafeerd en getekend door Menne Schadron, een kennis van de familie.

De tekst van de bede luidt:

Weer in geluk en tegenspoed
Met al wat God heeft wel gemoed
Wat uit Gods hand vieldt
Je weldad, al begrijpt men't niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vorige

 

 

 

 

 

Schematisch

1 Johannes Fredericus
(*±1660-† >1722)

Theodora Borckes
(* ?? - † >1722)

Franciscus Henricus
(1698-1698)
Maria (1699-1699)

2 Fredericus

(1700-1760)

Johanna Knippenborgh
(1702-1769)

Francisca
(1730 - na 1763)
Oswoldina (1736-?)
Maria (1738 - na 1768)
Theodora (1740 -?)
Franciscus Wilhelmus
(1731 - ?)

3 Christianus Maximilianus
(1731-1806)

Gesina Westervelt
(1731-1800)

Fredericus Wilhelmus
(1761-1766)
Joanna Mechtildis
(1763-1763)
Johannes
(1764-1765)
Christianus Maximilianus
(1764-?)
Wilhelmus
(1768-1834)
Joanna
(1770-1835)
Michael
(1772-1846)
Bernardus
(1775-?)
Hendrina
(1777-na 1802)
Petrus
(1780-1780)

4 Fredericus
(1766-1845)

Susanna Borkes
(1781-1851)


Christianus
(1808-1834)
Theodorus
(1812-1834)
Engelina Theodora
(1813-1827)
Gezina Theodora
(1814-1827)
Johannes Wilhelmus
(1816-1889)
Hendrikus Cornelius
(1820-1862)

5 Arnoldus Michaël
(1816-1882

Hendrika Snelting
(1824-1861)
)

Fredericus Antonius
(18558->1879)
Johanna Maria
(1856-1858)
Johanna Christina
(1859-1861)

6 Theodorus Hendrikus
(1857-1921)

Bernardina Bannink
(1865-1948)


Catharina Antonia
(1897-1964)
Stephanus Theodorus Christianus
(1898-1904)
Gerhardus Wilhelmus
(1902-1912

7 Henrica Bernardina Bertha
(1900-1992)

Albertus Nikolas Antonius Putman
(1901-1984)


Bernardina Johanna Henrica
(1930-)
Maria Josephina Alberta
(1932-)
Cornelis Christiaan Antonius
(1933-2003)
Theodorus Aloysius Nicolaas
(1936-)
Albertus Theodorus Johanna
(1939-)
Henrica Wilhelmina Theodora
(1941-)
Nicolaas Hendrikus Jozef
(1941-)