kop_illustratie
gen 0 gen 8.2 gen 8.3b gen 8.3c

bou
man
1

bou
man 2
haf
kens 1
haf
kens 2
haf
kens 3

Generatie 7.1
Broers en zussen van Cornelis Hendrikus (1866-1922)

Acht kinderen hadden Albertus en Maria Johanna. Het derde kind zou later mijn grootvader worden, Cornelis Hendrikus. Zijn verhaal komt in hoofdstuk 7b aan de orde. We beginnen met de andere zeven.

Hendrika Alexandrina is de oudste. Ze is op 6 maart 1864 geboren. Zoals putman.hendrika_alexandrina te doen gebruikelijk krijgt ze de naam van de opa van vaders kant, Hendrik Putman, en de oma van moeders kant, Alexandrina Sanders. Op 4 mei 1887 trouwt ze met de 31-jarige Theodorus Gerrits, die in Ottersum bij Gennep geboren is. Hij wordt als arbeider ingeschreven, zij heet 'dienstbode' te zijn. Later geeft ze als beroep 'waschvrouw' op.

Hendrika Alexandrina woonde net als de vorige generaties aan het IJsseldijksche Veld in Westervoort. Behalve een perceel uit de eigendommen van de Putmannen, bezat ze ook grond van de Snelders-familie; van moederszijde dus.

Met Theodorus krijgt Hendrika zeven kinderen. De Putmannen in Ulft hebben één van hen heel goed gekend: Elisabeth Catharina, geboren in 1889, die getrouwd was met Gerardus Heveling (*1886 te Etten) en aan de Rijksweg in Gaanderen woonde. Wij noemden haar Tante Betje. Haar man werkte o.a. in ’t Loo bij café café_berendsenBerendsen en leerde daar Elisabeth kennen. Oorspronkelijk verdiende hij de kost in Dinxperlo bij houtzagerij Achterhof, maar in 1926 verhuisden ze naar Gaanderen waar Gert werkte bij Vulcaansoord, een ijzergieterij.
Hij was een verwoede amateurfotograaf, die in de kelder van zijn huis aan de Rijksweg een geïmproviseerde donkere kamer had ingericht, die verlicht werd met een petroleumlamp met rood glas ervoor. Als de foto’s belicht moesten worden, trok hij even de verduistering van het kelderraam weg. Zo ontstond onder andere de enige foto van mijn grootouders samen, hij staand, zij zittend. (Gegevens uit de site van Koen Heveling, kleinzoon van Elisabeth, fotograaf te Doetinchem.)

1895 is voor Hendrika Alexandrina een rampjaar geweest. Achtereenvolgens sterven: Theodorus, haar man op 13 februari ; Maria Johanna (4 jaar) op 9 april ; Petronella Maria (2) op 18 april en Petrus Albertus Johannes (1) op 10 juli . Je kunt nauwelijks geloven dat ze door verschillende oorzaken gestorven zijn. Het lijkt er meer op, dat er een besmettelijke ziekte geheerst heeft, een dodelijke griep, kinkhoest, mazelen of de veel voorkomende difterie (kroep)?

Ze is na deze verschrikkelijke gebeurtenissen amper 31 jaar en heeft nog twee kinderen over: Johannes (7) en Elisabeth (6). Het is de vraag of het tweelingzusje van Johannes, Theodora, toen nog leefde. Volgens haar kleindochter, Dora Heveling, (dochter van Elisabeth en Gert) is er na die ellende nog een kind  geboren, ook Theodora geheten, die later in de Betuwe is gaan wonen. In februari 1895 is Hendrika's man gestorven; de geboorte van Theodora moet dan op zijn laatst plaatsgehad hebben in oktober 1895. Als dat het geval is, zou de eerste Theodora, het tweelingzusje uit 1888, ook al gestorven zijn. Twee Theodora's in één gezin is immers onwaarschijnljk. Het ligt voor de hand te denken dat dat kindje ook in 1895 is overleden. Dan zou Henrica zelfs vier van haar kinderen in een half jaar verloren hebben. Hoe komt een mens daar overheen?
bidpr_hendrika_a
Het leven gaat door, maar zonder kostwinner wordt het bijna onmogelijk niet in armoede te vervallen. Volgens Dora heeft haar familie er daarom bij Hendrika op aangedrongen dat ze zou hertrouwen. Ze heeft weinig trek in een nieuw huwelijk maar ze zwicht. Ze trouwt op 16 november 1898 als moeder van twee of drie kinderen met Johannes Evers (*1856) uit Duiven. Ze kregen nog twee kinderen, een zoon en een dochter.
Nog geen negen jaar is ze weer weduwe: op 5 oktober 1907 sterft Johannes.

Toen was ze drieënveertig. Drieënveertig jaar later, op 12 november 1950, stierf ze te Gaanderen, in het huis aan de Rijksweg, waar ze woonde met het gezin van Elisabeth en Gert.

Vreemd is natuurlijk dat het bidprentje met geen woord rept over alle ellende die ze heeft meegemaakt. De spreuk uit het boek Job lijkt meer te gaan over het verkrijgen en verliezen van háár leven dan over dat van haar kinderen, die in 1895 gestorven waren.

Henrikus Cornelis was de eerste zoon van Albertus en Maria. Hij werd op 24 februari 1865, 's morgens om 6 uur geboren. Zijn peetoom was Theodorus Adrianus Snelders, de broer van zijn moeder Maria. Theodorus wordt 'dubbeloom': eind 1865 trouwt hij met Gerharda Putman, de zus van zijn vader Albertus.
Op 25 maart van hetzelfde jaar, 's morgens om 8 uur, is Hendrikus gestorven. Nog geen maand dus heeft hij geleefd.

Over Cornelis Hendrikus, mijn grootvader, die in 1866 geboren is, spreken we later. Eerst de andere kinderen:

Johanna Alexandrina is op 29 mei 1867 in Westervoort geboren. Zij is op 12 september 1895 getrouwd met Hendrikus Antonius Krutwagen, bidpr_johanna_alexandrinaarbeider, zoals zoveel mannen in de familie. Met Hendrik had ze minstens één dochter, Theodora Elisabeth (*1896), die later met Theodorus van Wolferen ging trouwen. Johanna stierf op 9 oktober 1956, drie jaar na Hendrikus. Ze was 89 geworden.

(Vergeleken met de tekst van het bidprentje van Hendrikus Theodorus is dit nogal traditioneel: citaten uit de bijbel vullen bijna het hele prentje. Waar het over haar als persoon moet gaan, wordt ze als 'Deze Moeder' aangeduid; afstandelijk en weinig persoonlijk.
Voor meer informatie over bidprentjes: klik hier)

Op 13 april 1870 wordt er aangifte van gedaan dat de vorige dag om tien uur 's avonds Dora , een kindje van zestien maanden, overleden is. Het was dus eind 1868 geboren.

Hendrikus Theodorus, geboren op 4 januari 1871, arbeider, is één van de Putmannen die het geboortedorp verlaten. Hij vertrekt naar Rheden en trouwt daar op 30 oktober 1897 met Jacoba Hendrina van de Kracht. Twee dochtertjes worden levenloos geboren. Bij de geboorte van het tweede kindje bezwijkt ook de moeder. Op 2 juni 1900 volgt een tweede huwelijk, nu met Johanna Jacoba van de Kracht, zijn schoonzusje, zeven jaar jonger dan Jacoba.

Als hij op 29 augustus 1947 sterft, is ook zijn tweede vrouw al dood (14 februari 1944). Op 2 september wordt hij in De Steeg begraven. Van de zeven kinderen leefden er dan nog zes; hij had een flink aantal kleinkinderen.

Veel oudere bidprentjes bevatten vooral bijbelteksten die door de samensteller toepasselijk werden geacht voor de overledene: 'Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?', 'Zalig zij die ...', enz.
Dat van Hendrikus is veel moderner, het is sterk persoonlijk:
'Als een man heeft hij geleefd, als een man is hij gestorven. Met God en de mensen verzoend, ging hij blijmoedig de dood tegemoet. Wij die achterblijven stichtten ons aan zo'n voorbeeldig ziekbed, zouden best met hem mee willen.
In het zweet zijns aanschijns heeft hij zijn brood verdiend, rijkdom of weelde heeft hij niet gekend, leed is hem niet gespaard .... maar hij wist dat de wederwaardigheden dezer wereld niet opwegen tegen de heerlijkheid die ons zal  geopenbaard worden. - Zelf was hij zich van geen schuld meer bewust. Mocht Gods aldoordringend oog nog stuiten op een of andere kleine smet, moge hij dan de hulp van zijn kinderen, kleinkinderen, familie, vrienden en bekenden ondervinden.
Kinderen en kleinkinderen, blijf hem gedenken, die temidden van een hard leven het geloof onzer vaderen stoer heeft bewaard. Help hem naar de hemel, hij helpe u spoedig van uit de hemel.'

Zo'n stukje pastoorsproza werpt wel een paar vragen op.
Zouden de nabestaanden, die 'zich stichtten' aan het sterfbed, werkelijk hun vader in de dood willen volgen? Ik durf dat te betwijfelen.
En wat betekent de opmerking dan hij zich van geen schuld meer bewust was? Bedoelde de pastoor gewoon dat Hendrik nog een laatste biecht had gesproken en volledig overtuigd was van zijn herwonnen schuldeloosheid? Of moeten we concluderen dat hij niet meer helemaal helder van geest was? Maar van een dementerende oude man kun je toch moeilijk beweren dat hij als een man blijmoedig de dood tegemoet ging?
Theologisch is het interessant dat de pastoor de hulp van de familie inroept in verband met een eventuele kleine smet, die door 'Gods aldoordringend oog' ontdekt zou kunnen zijn.
Hendrik laat op zijn bidprentje menige vraag open.

Wilhelmus Albertus werd geboren op 3 oktober 1872. Hij trouwt op 28 november 1906 met Hendrina Everdina van Wolferen, die op 9 april 1881 geboren is in Arnhem. Als arbeider verdiende hij zijn geld.
Ze hebben 8 kinderen gekregen, 4 jongens en 4 meisjes. Wilhelmus Albertus stierf in 1954, een maand na zijn 82ste verjaardag.

Al voor zijn huwelijk was hij eigenaar geworden van de grond van zijn moeder, Maria. Op 30 mei 1902 werd de akte getekend - tenminste door hem, zijn moeder kon niet schrijven - waarbij werd vastgesteld dat Maria wel het recht op levenslang vruchtgebruik verkreeg.

Albertus, de oudste zoon van Wilhelmus leefde van 1907 tot 1945; hij stierf ongehuwd. De jongste zoon, net als zijn vader Wilhelmus Albertus geheten, was al in 1944 gestorven. Een derde zoon had maar een maand geleefd. Hermanus was daardoor de enige mannelijke erfgenaam. Dat feit is wellicht aanleiding geweest om de gang naar de notaris te maken voor het opmaken van een verkoopakte over huis en erf.
Wilhelmus had uit de bezittingen van zijn moeder twee percelen overgehouden: 1286 en 1629, die onder nummer 203 en 207 al bezit waren geweest van Albert (1766-1831), zijn overgrootvader. Op 24 juni 1947 gaan de onroerende goederen voor fl. 1000 en de roerende goederen voor fl 200 over in handen van Hermanus, asfalteur, geboren op 28 november 1913. Het huis is nog belast met een hypotheek van fl 650, tegen 5 % rente, die elk jaar op 1 juni moet worden voldaan
aan Mw. M.C.W. Lubbers-Woltering te ’s-Gravenhage.
Hermanus neemt de verplichting op zich om zijn ouders levenslang te huisvesten in het gekochte pand. Hij is gehouden zijn vader en moeder voeding en kleding te verschaffen en ‘alles wat zij nodig mochten hebben, bij ziekte hen te verplegen en voor geneeskundige hulp te zorgen, hetzij thuis, hetzij in een inrichting en bij hun overlijden te zorgen voor een behoorlijke begrafenis, uitvaart en kerkelijke diensten, alles ten koste van de koper, zonder dat hij tot enige uitkering verplicht is, hetzij aan zijn overige broers en zusters, hetzij bij beëindiging van de samenwoning.’
Sterker nog: bij eventueel eindigen van de samenwoning mogen Wilhelmus en Hendrina ‘het ledikant, het beddegoed en toebehoren en verdere roerende goederen, tot hun persoonlijk gebruik dienende, medenemen ten einde die hun leven lang te blijven gebruiken.’

Op 26 september 1874 nog een broertje geboren: Albert. Maar dezelfde dag overleed het kind.

bidpr_sophiaHet jongste kind was een meisje: Sophia Theodora. Zij werd op 7 november 1875 geboren. Op 19 april 1900 trouwde ze met Johannes Keultjes, die vijf jaar ouder was dan zij. Hij was arbeider en ging mijn opa, Cornelis Hendrikus, vóór in het 'gastarbeiderschap' in Duitsland. (Zie volgende hoofdstuk.)
Ze zijn kinderloos gebleven.

Johannes stierf in november 1941, Sophia bereikte de hoge leeftijd van 92 en stierf op 18 maart 1968 in Nijmegen. Ze werd in haar woonplaats Westervoort begraven.

keultjes_overl

 

Uit de Arnhemsche Courant van
12 december 1941

 

 

 

vorige

 

 


 

Schematisch

1 Walravius

Aleidis Gipmaens

2 Peter
(1717-1776)

Theodora Boerboom
(1710-1783)

3 Wilhelmus
(1742-1824)

Everdina Lubberts
(1736/7-1800)

4 Albertus
(1766-1831)

Gouwke Goossen
(1758-1842)

5 Henricus
(1800-1858)

Johanna Berendsen
(1805-1880)

6 Albertus
(1834-1876)

Maria Snellen
(1837/38-1913)

Hendrika Alexandrina
(1864-1950)
Hendrikus Cornelis
(1865)
Johanna Alexandrina
(1867-1956)
Dora
(1868-1870)
Hendrikus Theodorus
(1871-1947)
Wilhelmus Albertus
(1872-1954)
Albert
(1874)
Sophia Theodora
(1875-1968)
7 Cornelis Hendrikus
(1866-1922)

Johanna Maria Bouman
(1868-1944)