kop_illustratie
gen 0 gen 8.2 gen 8.3b gen 8.3c

bou
man
1

bou
man 2
haf
kens 1
haf
kens 2
haf
kens 3

Generatie 8.3a
Albertus Nikolas Antonius (1901-1985)
1901-1930

 

Duisburg
In de familie wist eigenlijk niemand hoe het kwam dat de oudste vier kinderen van het gezin van Cornelis Putman in Duisburg geboren werden. De enige verklaring die ik ooit hoorde was de opvatting dat hij schipper(sknecht) op de Rijnvaart was geweest. Dat was aannemelijk want zijn schoonvader en diens zoons Antoon en Gerard Bouman waren dat ook. Maar zou hij dat werk ook nog gedaan hebben toen zijn kinderen geboren werden? Hoe kon hij het dan zo regelen dat de bevallingen steeds in Duisburg plaatsvonden? Het was in die tijd haast ondenkbaar aan geboorteregeling te doen, laat staan aan geboorteplaatsregeling.

Het is wel mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat Cornelis in zijn ongetrouwde bestaan op een rijnaak heeft gewerkt. Zo kan hij ook in Duisburg zijn geweest, waar hij kansen zag voor ander vast werk. En die heeft hij kennelijk met beide handen aangegrepen, want de kopie van de geboorteakte van Albertus Nikolas Antonius, zijn oudste zoon, vermeldt namelijk als zijn beroep ''arbeider in een steenfabriek'.
Het leven moet er zwaar geweest zijn: lange werktijden, zware inspanningen, karig loon en een armoedige woonomgeving. Bovendien was er natuurlijk de taalbarrière, die alleen te overwinnen was als je er voldoende voor gemotiveerd was. Het is maar de vraag of Vader Cornelis in zijn sobere bestaan daaraan toekwam. Hij zal niet van plan zijn geweest om er voor altijd te blijven. Als ik me maar verstaanbaar kan maken, zal hij gedacht hebben.

duisburg

Aan de ansichtkaart is af te lezen hoe groot de overgang van het Gelderse dorp Huissen naar de Duitse stad Duisburg voor Cornelis en Johanna moet zijn geweest.

In 1902 woonden ook hun tante Sophie en haar man Johannes Keultjes in Duisburg. Ze zullen vasr in de buurt gewoond hebben.
Er moeten trouwens nog veel meer Nederlanders in de stad gewoond en gewerkt hebben. Voor de kinderen Putman waren er dus genoeg speelkameraadjes die Nederlands spraken. De kans is groot dat ze weinig Duits hebben opgepikt; ze gingen immers nog niet naar school.

9 april 1901
Op 9 april 1901 woonde het gezin Putman, vader, moeder, Dora en Anna nog steeds aan de straat 'Auf der Höhe' in Duisburg. Petronella was intussen gestorven, de anderen waren nog erg klein. Op die dag werd Albertus geboren, als vierde kind en eerste zoon. Nog dezelfde dag werd aangifte gedaan bij het Standesamt. De ambtenaar vult het voorgedrukte formulier in Kurrentschrift in. Het is daardoor voor ons moeilijk te lezen, maar de naam Putman staat er duidelijk. Met een extra dikke pen heeft Herr Kronenberg de naam van mijn grootvader midden op de akte gecalligrafeerd.

De nieuwe wereldburger kreeg de namen van zijn opa aan vaderskant: Albertus (1834-1876), van opa van moederszijde: Nicolaas Bouman (1830-1905) en van Antonius Bouman (1871-1949), waarschijnlijk, als oudste broer van moeder Johanna, de peetoom. Alles volgens het traditieboekje.
Op de geboorteakte heeft de ambtenaar één foutje gemaakt: in plaats van Nicolaas schrijft hij in Duitse spelling Nikolas, wat later soms tot wat verwarring zorgde. Zo staat Albertus, als vader van zijn kinderen, in het doopboek van de Petrus-en-Paulusparochie in Ulft met de naam Nicolaas vermeld, maar in het overlijdensboek van die parochie staat Nikolas, zoals het eigenlijk hoort.

Naar Ulft via Huissen
Na de geboorte van zus Wilhelmina op 31 maart 1903 en vóór die van Nicolaas op 28 januari 1905 is de familie verhuisd naar Huissen. Albertus was dus twee jaar toen hij Duisburg verliet. Hij had er dan ook geen enkele directe herinnering aan.

Over de tijd in Huissen is weinig bekend. De familie komt voor mij pas weer tot leven als ze begin 1914 naar Ulft verhuist. Albertus wordt twee maanden later 13. Hij heeft de laatste klas van de lagere school afgewerkt, waarschijnlijk in Huissen. Het schooljaar eindigde in april, in de praktijk doorgaans met de paasvakantie.

(In de eerste helft van de 20e eeuw kon het schoolbestuur twee keer per jaar kinderen toelaten: in april en in september. Pas in 1948 is dat in Ulft afgeschaft: alle kinderen kwamen en vertrokken in september. Daardoor heb ik van april 1947 tot september 1948 in klas 2 gezeten.)

Een andere opleiding dan de lagere school heeft hij bij mijn weten nooit genoten. Vlak voor zijn 13de verjaardag gaat hij, net als zijn vader, bij de DRU werken. Op 6 april 1914, maandag voor Pasen, wordt hij daar ingeschreven als werknemer. Wat hij op de fabriek moest doen, weten we niet. Waarschijnlijk is hij op de Hut begonnen zoals iedereen die daar kwam: eerst het poetshok en later een functie die in de praktijk werd geleerd.
Veel zal hij niet verdiend hebben. Maar alle kleine beetjes hielpen als bijdragen aan het karige gezinsbudget.

Een van de weinige documenten die uit zijn jeugd zijn overgebleven, is een tweetal schoolschriftjes vol Nederlandse liedjes, waarvan ik er niet één ooit gehoord heb.
Volgens zijn eigen datering stamt het 'liederenboek' uit het begin van de jaren '20.
Hij schreef in een goed leesbaar, regelmatig handschrift.
Wel staan er veel spelfouten in de tekst.
Veel later, als secretaris van het schuttersgilde, bleek dat hij in dat opzicht veel bijgeleerd had.

vader1919vader1920

Volgens de bijgevoegde datering is de foto gemaakt in 1919 bij Finis, de apparatenfabriek waar hij (later?) een tijdje gewerkt heeft. Wijst het driedelig costuum op een feestje? Of is het het gewone 'zondags pak'?

 

 

Mijn vader rond zijn 25ste (?)
Hij ziet er wel deftig uit.
Met pochet en een sigaartje.
En zoals op alle portretten van toen:
de stoel als attribuut.

 

 

 

 

 

Dru
Albertus heeft weidwaarl tientallen jaren op de Dru gewerkt, maar niet aanééngesloten. Op 21 december 1921 bijvoorbeeld is hij opnieuw in dienst getreden, waarna ontslag volgde op 24 december 1925. Een gezinskaart uit de twintiger jaren vermeldt dat hij (fabrieks?)arbeider is, maar op een latere kaart ook uit die tijd wordt zijn beroep met 'landbouwkn' aangeduid. Het was blijkbaar nog niet de tijd van de vaste dienstverbanden. In de onzekere tijden zoals de dertiger jaren was elke vorm van werk welkom. Het bracht geld op, al was het niet veel, en ervaring. Zo heeft zijn activiteit als boerenknecht ongetwijfeld meegespeeld toen hij na de oorlog besloot extra bij te verdienen door in zijn vrije tijd zaad- en pootgoed te gaan verkopen. Dat was de basis van het tuincentrum dat zijn zoon Theo heeft uitgebouwd tot een bloeiende zaak, die nu door kleinzoon Ronald wordt voortgezet.

Bijverdienen
Al jong moet Bertus - zoals hij doorgaans genoemd werd - begonnen zijn met een lucratieve hobby: kelneren. Behalve het vaste loon bracht dat natuurlijk de nodige fooien op. Daarnaast kwam hij gemakkelijk in contact met mensen voor wie hij een klusje kon doen - betaald uiteraard, want hij was een strenge handelsman. In het begin schijnt hij in het restaurant van Finis in Ulft te hebben gewerkt. Finis was de naam van een machinefabriek van de familie Van Raay, die ook een cafétje uitbaatten.
In 'mijn' tijd was het hotel Van der Eem in Terborg, waar hij jarenlang een groot deel van zijn vrije tijd aan bijverdienste besteedde. Vaak tot diep in de nacht was hij daar dan bezig - niet altijd tot genoegen van mijn moeder, overigens.
Kelneren in een schutterstent tijdens de Ulftse kermis bracht misschien nog wel het meeste op.

Feesten
Van zijn privéleven als jonge man weet ik maar weinig. Ik heb hem wel eens verhalen horen vertellen over uitstapjes naar het Duitsland vlak na de Eerste Wereldoorlog. Je kon er een hele avond met de nodige biertjes plezier hebben, zonder dat het veel kostte. De mark was op zeker moment nauwelijks meer waard dan het papier waarop de waarde stond aangegeven. Ergens in huis stond jarenlang een blikken doosje met Duitse bankbiljetten die toen in omloop waren, in de waarde van miljoenen mark per stuk, maar waarvoor je geen droog brood kon kopen. Helaas is die verzameling ondergegaan in de geschiedenis van verbouwen en opruimen...

De liefde
In de jaren twintig moeten mijn ouders elkaar getroffen hebben - getroffen in de zin van geraakt. We weten niet onder welke omstandigheden. Over eventuele voorgangers in de liefde is nooit gesproken. Als kind ging ik ervanuit dat ze geen van beiden ooit een ander hadden gehad. Mijn ouders hebben dat graag zo gelaten. Wel staat vast dat ze zeven jaar verkering hebben gehad.

Hafkenscheid, de schoonfamilie
Henrica Bernardina Bertha Hafkenscheid (Rika, *1 september 1900) was de jongste van de twee meisjes in het gezin van Theodorus Hendrikus Hafkenscheid en Bernardina Bannink. In 1914 werd ze dienstmeisje bij de bouwpastoor van de Antoniusparochie in Ulft. Ze kende hem al als kapelaan van de Petrus- en Paulusparochie. Ze woonde niet in de nieuwe pastorie, want de pastoor had al een gedienstige. Verder heeft gewerkt bij de familie Rijken, een winkelier en koopman, die in 1904 vanuit Ravenstein naar Ulft was gekomen en woonde in het pand waar later elektriciën De Leeuw gevestigd was. Ook heeft ze dienst gedaan bij de familie Koster, een beambte op de Dru, afkomstig uit Schiedam. Inwoning bij die families kwam natuurlijk niet in aanmerking omdat Riek thuis haar moeder niet alleen wilde en kon laten. hafkenscheid

 

Foto uit (waarschijnlijk) 1915, mogelijk ter gelegenheid van de 50ste verjaardag
van Bernardina (*8 juli 1865).
V.l.n.r.: Rika, Theodorus, Bernardina, Cato.

 

 

 

 

De armoedige omstandigheden waarin de familie in 1925 leefde, deden allerminst denken aan een adellijke afkomst. Rika's vader was arbeider op de Dru geweest. In 1921, een paar jaar voor het begin van de relatie van Rika met Bertus, was hij op 63-jarige leeftijd gestorven. Haar moeder was als kind van 14 met tussenpozen tot aan haar huwelijk in Anholt, net over de Duitse grens dienstmeid geweest op een boerderij.
Ik kan me niet voorstellen dat het gezin iets wist van de geschiedenis van de familie Hafkenscheid, die teruggaat op een adellijke geslacht waarvan leden rond 1695 vanuit Bochum (Duitsland) naar Ulft kwamen. Eén van hen, de voorvader van Rika, werd er burggraaf van het slot.

 

moeder18

Rika Hafkenscheid, mijn moeder, op naar schatting 18-jarige leeftijd. Zo moet ze er uitgezien hebben toen zij Bertus leerde kennen - of béter leerde kennen.
Wat ze precies staat te doen is niet duidelijk. Huishoudelijke bezigheden lijken het niet te zijn; daarvoor is de kleding te sjiek. Misschien is het een handwerkje waar ze (voor de vorm?) mee bezig is.

 

De familie woonde in een simpel huurhuisje aan wat later de Veldstraat heette. Het leek een keuterboerderijtje, met kleine kamertjes en en een inpandige stal. Elk maand bracht Bernardina de huur van één of twee gulden per maand naar de plaatselijke smid Broeks. Daar woonde familie van de eigenaar, Hendrikus Albertus Brugman uit Gaanderen.
In mijn kindertijd woonde er de familie Meijer; vervolgens kwam er ene Straub te wonen en de laatste eigenaar was Albertus (Bartjen) Medze, die handelde in lompen en metalen, een activiteit die nu reclycling heet.
In de stamboom van de familie Hafkenscheid zal nog beschreven worden hoe zij en de medebewoners rond 1895 met de beperkte ruimte gewoekerd moeten hebben.

Lees verder bij generatie 8.3b.

 

vorige

 

 

 

 

Schematisch

1 Walravius
(* ± 1690)

Aleidis
Gipmans

(1693 - ??)

2 Peter
(1717-1776)

Theodora Boerboom
(1710-1783)

3 Wilhelmus
(1742-1824)

Everdina Lubberts
(1736/7-1800)

4 Albertus
(1766-1831)

Gouwke Goossen
(1758-1842)

5 Henricus
(1800-1858)

Johanna Berendsen
(1805-1880)

6 Albertus
(1834-1876)

Maria Snelders
(1837/38-1913)

7 Cornelis Henricus
(1866-1922)

Johanna Maria Bouman
(1868-1944)

8 Albertus Nikolas Antonius
(1901-1985)

Henrica Bernardina Bertha Hafkenscheid
(1900-1991)

Bernardina Johanna Henrica
(*1930)
Maria Josephina Alberta
(*1932)
Cornelis Christiaan Antonius
(1933-2003)
Theodorus Aloisius Nicolaas
(*1936)
Albertus Theodorus Johanna
(*1939)
Henrica Wilhelmina Theodora
(*1941)
Nicolaas Hendrikus Jozef
(*1941)